van iets wegrennen – een spin of een muis,
een brandend huis, een ravijn, een beet
van de tand des tijds – is minder erg
als je ergens hebt om naartoe te lopen
dan loop je tenminste met een doel
of in open armen
anders loop je enkel met een reden
maar nergens heen
dan blijf je je jas dragen
ook wanneer het koren op het veld verklapt
dat het al zomer geworden is
wacht er niemand die zegt stop, genoeg
en hem afneemt om de luis uit je pels te pikken
je een stel vleugels omspant en je toevertrouwt
dat vliegen zoveel lichter is dan lopen