Een kleine ode aan de grote schoonmaak

Gisteren zat ik op het terras van Kopi Soesoe, mijn favoriete koffiezaak in Rotterdam, verdiept in een boek. ‘Wat lees je?’ was de voor de hand liggende vraag van de immer uitgelaten uitbaatster. Ik toonde haar de feloranje cover van De grote schoonmaak van Rob van Essen. Boven onze hoofden wapperden honderden oranje vlaggetjes, klaar voor Koningsdag.

Om haar volgende voor de hand liggende vraag voor te zijn, begon ik zelf te vertellen waar het boek over ging. Dat ik niet al te veel details kon prijsgeven, maar dat het ging over twee mannen die in een buurtsupermarkt een absurd fenomeen meemaken met een schoonmaakmiddel, waarna hun wegen nogal abrupt scheiden. Dat de ik-verteller vervolgens zijn heil zoekt in de filosofie en de kunst om het voorval te doorgronden dan wel van zich af te schudden, maar dat elke poging daartoe faalt. Zelfs een fijne relatie loopt erdoor op de klippen. Tien jaar later kruisen de paden van de mannen opnieuw en ondernemen ze samen een ultieme poging om te verklaren wat ze destijds hebben meegemaakt. 

Of ze daarin slagen, moet je zelf uitzoeken, beste lezer. Doe dat maar gewoon, want dit boek is zonder twijfel van het beste dat ik de afgelopen tijd gelezen heb. Zonder twijfel komt dat omdat ik goed ga op drie dingen: existentialisme, humor en metabeschouwing. Dit boek grossiert in alle drie.

De grote schoonmaak is in de eerste plaats een boek over het omgaan met het absurde en het zoeken naar betekenis. Van Essen neemt je op die zoektocht bij de hand met gezwinde taal – dit is geen boek dat bol staat van de zware metaforen – en een vlotte tred. ‘En dat is misschien wel het knapste,’ zei ik tegen de uitbaatster, ‘dat hij je bijna 300 pagina’s geboeid weet te houden met zoiets banaals als een mysterie rond een fles schoonmaakmiddel.’ Ze moest er hard om lachen.

Lachen doe je als lezer van dit boek ook. Ontzettend vaak. In die gezwinde taal toont van Essen zich ongemeen ad rem, zonder zich op enige grapdwang of geforceerdheid te laten betrappen. De humor zit hem vaker in de eenvoud en de alledaagsheid dan in het groteske. Het absurde is op zich al grotesk genoeg. Wat bij momenten wel van de pagina’s spat is het pure associatieve schrijfplezier – lezers die af en toe een blokje kaas in de supermarkt weggrissen of lezeressen die Ilse heten, zullen dat vermoedelijk beamen. 

De ware toedracht van het schoonmaakmiddelmysterie vormt de motor van dit boek, maar gaandeweg ontvouwt De grote schoonmaak zich steeds meer als een beschouwing over het leven zelf en de plaats van de kleine mens in dit grote onbevattelijke universum. De auteur toont zich daarbij ontzettend nederig (daar heb je die eenvoud weer) in de zijbeschouwing over de literatuur: niet de schrijver, maar het verhaal is van het grootste belang. Van Essen zelf omschrijft zijn verhaal in eerste instantie als autobiografische sciencefiction – net als de twee romans waarmee hij de Libris Literatuurprijs won, De goede zoon en Ik kom hier nog op terug – maar het is evenzeer een komedie, zoals het leven zelf een komedie is.

Daags voor mijn terrasgekeuvel zag ik in Lantarenvenster de nieuwste film van Paolo Sorrentino, La Grazia, over een Italiaanse president wiens politieke loopbaan ten einde komt en die in zijn laatste maanden nog even een euthanasiewet op zijn bord krijgt. In een van de laatste scènes van de film mijmert de president: “Is dat eigenlijk niet wat we allemaal elke dag doen, zekerheden veinzen?”

Misschien komt dat wel omdat de enige verklaring is dat er geen verklaring is.