we liepen langs de kade van de rivier
in wiens zoom het allemaal begon, ooit
fietsten we hier de kleren uit het lijf, dachten we
enkel in rechte lijnen, er lag niets in het verschiet
dat spaak kon lopen
veel meer dan een spiekbriefje had ons vel
niet geborgen, en alles, alles kon
worden uitgegomd
het kabbelende water liet ons begaan
had het andere slagschaduwen al zo vaak zien doen
onvatbaar willen zijn voor het kronkelen
van de bedding, denken dat er altijd zand zou zijn
om over onze baldadigheden heen te strooien, zweren
dat het leven nooit uit haar oevers zou treden
of toch zeker niet hier
daarom zweeg het water en nog het meest
over de tweesprong die ons dra zou overvallen
ook wij zouden er met gespreide benen
niet omheen kunnen dansen
ook wij niet