Verbindingsvlieger

‘We kunnen moeilijk allemaal een koffiebar beginnen.’ Het is een verzuchting die ik, samen met anderen in mijn omgeving, het afgelopen jaar meermaals heb gemaakt. De boosdoener: AI, uiteraard, die gelauwerde, opgeklopte, gevreesde gesel ons vakkundig opgedrongen door zij die ons met succes verslaafd maakten aan digitaal vernuft: het clubje California’s waar we vroeger en masse naar opkeken maar waarnaar we ondertussen smalend verwijzen als techbro’s.

Het is de eerste keer in de (moderne) geschiedenis dat kenniswerkers zich eveneens en masse zorgen maken over het voortbestaan van hun jobs. Want white collar-taken uitvoeren is nu net iets waar AI goed in is – een hallucinatietje hier en daar niet meegerekend –  nog wel in vliegende vitesse ook. Alle prognoses voorspellen dat het alleen nog beter – en bedreigender – wordt.

Ja en nee, opperde professor en econoom Paul De Grauwe in een recente column voor De Morgen waarin hij zijn blik richtte op de door AI overrompelde arbeidsmarkt. Men vreest nieuwe technologieën altijd alvorens ze zich op een meer evenwichtige manier in de samenleving nestelt, is zijn devies. Nog relevanter dan zijn stelling dat AI ook nieuwe jobs zal creëren, vond ik zijn hoopvolle verwachting dat AI als zij-effect de band tussen producent en gebruiker zal herstellen.

Meer tastbaar, minder vluchtig? Meer waardevolle menselijke interacties? Waar teken ik in?

Het begint ons stilaan te dagen dat een digitaal aangedreven samenleving naast vele voordelen ook het gevaar van verschraalde menselijke interactie met zich meebrengt: praatjes maken op café doet zoveel meer deugd dan een meme delen op WhatsApp en een prins of prinses in het echt schaken levert minder artrose op in je duim dan swipen op een dating app. 

Bovendien hoeft niet alles geoptimaliseerd of op mijn wenken geleverd te worden of schaalbaar te zijn. Is een biertje of een frietje bestellen aan een persoon niet leuker dan via een QR-code of een kiosk? En tenzij het levensnoodzakelijk is, hoef ik dat pakje niet meteen morgen in huis.

Door de ober en de postbode uit onze interacties te schrappen ten voordele van effortless dienstverlening, reduceren we hen tot haast onzichtbare schakels tussen product en onszelf. En gaan we hen voor vanzelfsprekend nemen. Omdat onze verbinding met hen in de keten nagenoeg wordt uitgegomd.

En laat het nu net dat woord zijn dat alles de moeite waard maakt: verbinding. Keuvelen met de ober of de barista – als we het dan toch niet allemaal hoeven te worden – maakt hoppig of melkig schuim zoveel lekkerder smaken. Niet alleen sociaal, ook economisch gaat die verbindingsvlieger op. Er zijn stemmen die zeggen dat er zoveel burnouts zijn omdat we de band tussen ons werk en onszelf te weinig voelen. Ik weet niet of een bakker minder kans heeft op uitval dan een nachtwerker in een magazijn van een onlinewinkelgigant, maar zijn job lijkt me eerder bol dan hol te maken. Zijn purpose, om het met een hippe term te zeggen, voelt hij bij elke homp deeg die door zijn handen gaat.

Als de techbro’s vanuit Café California dan toch een turbo op allerhande processen leggen en de dingen nog meer instant maken, hoop ik samen met Paul De Grauwe dat we met die vrijgekomen tijd meer tijd in elkaar zullen steken.

En misschien is dat wel de ironie van AI: hoe slimmer de machines, hoe duidelijker dat menselijke verbinding geen inefficiëntie is, maar onze grootste meerwaarde.