Falen is kinderspel

Mijn jongste zoon ontdekte onlangs een eenvoudig recept voor vegan pannenkoekjes op basis van banaan. Met wat fruit als garnituur flansten we deze zomer al verschillende gezonde ontbijtjes in elkaar.

Enkele dagen geleden wilde ik het anders aanpakken. Een klassiek pannenkoekenrecept maak ik ongeveer op het zicht: als de consistentie van het beslag goed zit, weet ik dat het lukt. Vloeibaar kleverig, zoiets. Dat moet ook zonder eieren en melk kunnen, dacht ik.

Ik gooide alles in de blender, besloot spontaan om voor een 80-20 mengeling van kokos- en speltmeel te gaan in plaats van 100 procent spelt, en mixte genoeg beslag voor één dikke pannenkoek in plaats van een handvol kleintjes, zoals mijn zoon en ik ze gewoonlijk bakken. Hop in de pan dan maar…

Het werd een smurrie. 

Toen ik over mijn terras naar de groene bak wandelde, pan vol drap in de hand, bedacht ik me dat het lang geleden was dat ik mezelf niet voor het hoofd had gestoten vanwege een gefaald experiment.

Tien uur later stond ik op een Brussels terras te praten met een collega. Hij was fervent supporter van een ambitieuze Oost-Vlaamse amateurclub en hij vertelde me dat de trainer het voorbije seizoen al na enkele maanden de deur gewezen werd. 

Al geruime tijd beschouw ik de voetbaltrainer als het epitoom van onze alles-moet-meteen samenleving. Binnenkort start de leukste doorschuifcompetitie van de Noordzeekust wederom, en je kan er wederom prat op gaan dat de eerste trainerswissels tegen oktober al een feit zullen zijn. Twee verloren wedstrijden volstaan voor een crisis. De media, de fans, iedereen roert zich en spuit in meer of mindere mate met de tuinslang der ontevredenheid. Een voetbaltrainer is een beetje als de hoofdredacteur van hln.be, met dat verschil dat hij zelf voortdurend in het oog van de storm staat.  

Wanneer de trainer dan onvermijdelijk van zijn wankele sokkel wordt gehaald en vervangen door een nieuwe, volgt heel even een shockeffect waarna alles weer terugkeert naar het oude. Logisch, want de spelers en de cultuur zijn hetzelfde gebleven.

In het voetbal mag niemand drap in de pan hebben. Als basketballer volg ik al drie decennia de Amerikaanse basketbalcompetitie NBA. Het is daar niet zo erg qua trainerswissels als in het voetbal hier, maar je supportert wel minder lang voor hetzelfde team: spelers worden er veel sneller ingeruild voor andere exemplaren dan vroeger. Maar zo kweek je natuurlijk geen automatismen, geen echte band, geen chemistry. Je moet samen door het vuur – door hoogtes en laagtes – om een (h)echt team te worden. En dat vraagt tijd.

Ook als individu heb je tijd nodig. Niemand staat er van dag één. We lijken dat soms vergeten omdat alles productiever moet en met snel resultaat, omdat we op sociale media te veel enkel de mooie plaatjes zien. Het is des mensens om ons te vergelijken met anderen en om op te kijken naar onze idolen. Maar die collega met het mooie kapsel en de witte tanden staat ‘s ochtends ook op met een warrig hoofd en een stinkende adem. En je held heeft heel wat hordes gelopen voor hij een baas werd.

Van al zijn schoten op doel heeft Messi er veel meer gemist dan gemaakt. Van de 15 jaar die Jordan in de NBA speelde werd hij slechts 5 keer kampioen. En Picasso maakte meer dan 13.000 schilderijen. Slechts een handvol vinden we een meesterwerk.

Je hebt de momenten van smurrie nodig om tot een goed beslag te komen. De bobbels en putten zijn onderdeel van het parcours. Groeien is falen. En falen betekent imperfecties accepteren, de weg durven gaan, weten dat hogerop geraken niet kan zonder klimmen. Haast niemand stapt halverwege de ladder in, vrijwel iedereen begint onderaan. En ook: een team dat kampioen wil worden, moet samen kunnen spelen. 

Dat spelen mag je dubbel interpreteren: het is én samen trainen en wedstrijden beslechten, én samen plezier maken en vreugde beleven. Daarvoor heb je een context nodig van alles kan en niets moet, een context waarin falen geen optie is, omdat bij falen er gewoon bij hoort. 

Als gereformeerd perfectionist maar nog steeds mijn eigen grootste criticus, als kind van mijn tijd, ben ik gaandeweg ook slechter geworden in falen. In gewoon doen, ongeacht de uitkomst. Eerder deze zomer deed ik een reeks meditatieve oefeningen waarbij ik me vragen stelde als: ‘Hoe kom ik sneller uit een creatieve knoop?’ of ‘Hoe kom ik tot de essentie van wat voor mij echt belangrijk is?’

Het antwoord dat telkens naar boven kwam? 

‘Speel’.

Echt spelen impliceert opnieuw een context waarin alles kan en niets moet. Van verwondering, acceptatie. Met uitgelopen snottebellen thuiskomen omdat je weer maar eens je zakdoek vergeten bent of met een bebloede knie omdat je bij het fietsen iets te onbezonnen was onderuit bent gegaan. 

Spelen impliceert ook durven zonder dat het als durven aanvoelt: een kind dat nog niet rechtop kan staan maar koste wat kost het beertje op de salontafel wil pakken, zal honderd keer op de poep vallen voor het dat beertje recht in de ogen kijkt.

Dat ukje maalt er niet om. Het is kinderspel.