De ampersand

kijk ‘m lopen
nukkige eenzame hond
niemand krijgt ‘m in de vingers
niemand krijgt ‘m in het geheugen gestompt

geen mens die ‘m nog nooit heeft verwenst
woorden naar het hoofd heeft geslingerd als
best arrogant, behoorlijk pedant
en – ja! – ronduit recalcitrant

toch, wat een karakter
stelt niet hij als geen ander
het gehele leven zo mooi op schrift

je tuimelt erin als pardoes
buik vol van verwachting
hup de hoogte in
tot alles hoe je ‘t ook draait
op z’n kop komt te staan
waarna je een tweede adem vindt
en na een weinig lang weer bij het begin
aan je einde komt

ach, de ampersand
is het soms een veeg aan de wand
dat niemand ‘m erkent als savant

men zou voor minder over de wereld dwalen
met steeds die ene gedachte die blijft malen
misschien was een leven als teken toch meer amusant
als liggend streepje