Dit essay werd geschreven als antwoord op de oproep van deBuren en Hooray for the essay voor essays over ‘waarheid’. Bestaat er zoiets als een universele waarheid of is waarheid iets strikt individueel?
Als kind was ik een kei in wiskunde, dat toen op de basisschool nog gewoon ‘Rekenen’ heette. Als tiener ging ik onderuit toen het abstracte denken met z’n a’tjes, b’tjes en x’jes verscheen. Na lang zwoegen kreeg ik sommige aspecten nog wel onder de knie, maar echt begrijpen deed ik de wiskunde nooit meer. Mijn reddingsboei zes jaar lang waren de bewijzen, lappen tekst die ik als een papegaai uit het hoofd kon leren en waar ik broodnodige punten mee kon scoren, maar waar ik verder geen jota van begreep.
Laat een papegaai de waarheid zeggen en hij zegt de waarheid na. Maar in feite is het een lege ballon. En dat geldt op verraderlijk veel vlakken voor het concept ‘waarheid’ zelf. Sta me toe dat even te bewijzen.
De sterkte van drijfzand
Een tijdje geleden zat ik met mijn jongste zoon aan tafel. Zijn allereerste examens naderden en hij worstelde met de meetkundige axioma’s. Axioma: een stelling die als waar wordt aanschouwd zonder bewijs. Zoals, in casu, dat een rechte een oneindige lijn is door twee punten. Mijn zoon had moeite het te bevatten.
Enkele weken later, toen ik het voorval tijdens een familiemaal op tafel legde, stond zijn grootvader op, ruimde enkele borden af en zei ontsteld: “Niemand kan de oneindigheid bevatten.” En om het voor iedereen aan tafel nog wat onbevattelijker te maken, voegde hij eraan toe, zich met zijn vrije hand tegen het hoofd tikkend: “Het heelal zet uit, maar dan moet het toch uitzetten in een ruimte die al bestaat? Zulke dingen, daar kan ik niet bij.”
Niemand van onze disgenoten wist dat ik de troef in handen had die het al wankele kaartenhuisje van de bevattelijkheid helemaal zou doen instorten. De oneindigheid mag dan onbevattelijk zijn, de axioma’s hebben wel degelijk hun verdienste: we hebben er heel wat van de ons fysiek omringende werkelijkheid mee geconstrueerd. Zonder axioma’s stond er geen gebouw overeind, lag er geen brug over water.
Kaarten voor altijd tegen de borst houden helpt niemand vooruit, ook als je weet dat ze op tafel gooien iedereen terug naar af zou brengen. Dus speelde ik ze door het relaas te doen van een voordracht van de fysicus Thomas Hertog waar ik op was uitgenodigd. Hertog werkte jarenlang samen met Stephen Hawking, met wie hij op zoek ging naar de oorsprong van het heelal. Daarbij kwamen ze tot de ontdekking dat tijdens het ontstaansproces van het universum ook de natuurwetten zijn ontstaan.
Denk daar eens even over na.
Dat er – bigbanggewijs – helemaal niets is en dan plots een hele reutemeteut aan planetaire en intergalactische bouwstenen, daar krijg ik al nauwelijks mijn hoofd rond. Dat onze natuurwetten ook uit drijfzand, dat toevallig vaste massa werd, blijken te zijn gevormd, vindt mijn kop net zo ontstellend. Snelheid. Zwaartekracht. Druk. Veerkracht. Alle formules en wetmatigheden die als absoluut gelden, die wij zo waarnemen en die dat tot nader order ook zijn, waren ooit ontzettend relatief. En misschien worden ze dat in dit oneindige universum ooit opnieuw. Wie weet.
Als relativiteit een factor is in de wetmatigheden van het universum, dan is relativiteit ook een factor voor alle componenten die zich in dat universum bevinden. En daarbij dus ook voor alles wat wij voor waar aannemen, en de waarheden waarop we onze levens stoelen.
Ergo: alle waarheden zijn relatief. Jouw waarheden zijn de jouwe en mijn setje is dat van mij. Hoe goed we het met elkaar kunnen vinden, of hoe we beslissen met wie we omgaan, vriendschappen sluiten en samenleven, hangt vaak af van hoeveel overeenkomstige elementen er in onze waarheidssetjes zitten. Het is waarom we in het echte leven en op sociale media vaak in bubbels terechtkomen: omdat het discours dat er verkocht wordt – en waar we actief of passief aan deelnemen – aansluit bij hoe wij naar de wereld kijken.
Waarheidseitjes
Die blik op de wereld heeft bovendien veel meer te maken met de positie die we bij de start van onze levens buiten onze wil om toebedeeld krijgen, dan we soms zelf willen geloven. Onze startpositie beïnvloedt heel sterk op welke trede van de maatschappelijke ladder we de rest van ons leven zullen staan – tenzij we veel geluk hebben of ontzettend hard werken… én geluk hebben. Die positie bepaalt vanaf welke hoogte we naar de wereld kijken, hoeveel we van de horizon zien, en ze gooit een aantal waarheidseitjes in ons mandje. De opvoeding die we verder van onze ouders krijgen, gooit er nog eens zoveel eitjes bij. Naarmate we opgroeien en onszelf zelfstandige wezens gaan vinden, gaan we met de voor ons in het mandje gelegde waarheden aan de slag. We houden ons eraan, transformeren er een aantal, creëren er zelf nieuwe bij. Maar om echt nieuwe eitjes uit te broeden, die niet al te sterk lijken op de eitjes die anderen in je mandje hebben gelegd, moet je een aardig unieke kip zijn.
Een meisje dat in een links milieu wordt geboren, zal later hoogstwaarschijnlijk geen politica op een extreemrechtse lijst worden. Een jongen die streng katholiek opgevoed wordt, zal later eerder in diezelfde God blijven geloven, of zijn venster op de wereld op een andere spirituele manier invullen, dan helemaal niet. Hoe we gevormd worden voordat we een grote mate van autonomie hebben bereikt, bepaalt de waarheden in ons hoofd veel meer dan we vaak aan onszelf willen of durven toegeven. En die waarheden bepalen op hun beurt het waardekader dat we als persoonlijk kompas hanteren en waarmee we beslissen hoe we ons leven leiden. Waarheid en identiteit zijn daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Ik ben er zelf een mooi voorbeeld van. Vervang in de voorgaande alinea de woorden ‘streng katholiek’ door ‘als Getuige van Jehovah’ en je hebt een flink stuk van mijn jeugd bestempeld. Die religie verwees bovendien naar zichzelf als ‘de waarheid’, dus laat ons zeggen dat ik ook zonder wat ik hierboven over Hertog en het universum schreef wel een boompje kan opzetten over de absoluutheid en de relativiteit van het begrip.
Tot mijn achttiende was de bijbelse leer die ik wekelijks ingelepeld kreeg mijn grootste referentiekader om de werkelijkheid te vatten. Wie we waren, waar we vandaan kwamen, en waar we naartoe gingen. Hoe alles tussen hemel en aarde in elkaar zat en waarom. Toen ik als adolescent die waarheidsgordel afwierp en uit het geloof stapte, bleek de ballast maar deels weg te zijn: de waarheidseitjes in mijn mandje waren aan transformatie toe. En transformatie kost tijd, die volstrekt zich niet zonder slag of stoot.
Er zit meer in fictie dan je denkt
Religie – een manier om naar leven en dood te kijken – is voor een aanzienlijk deel van de mensheid de überwaarheid, het belangrijkste fundament, en het godsbeeld het begin- en eindpunt. Zoals de meeste goden het trouwens ook het liefst hebben. Het gros der gelovigen zal het waarschijnlijk niet graag horen, maar net als alle andere universele waarheden, is ook het godsbeeld relatief. Enerzijds omdat er zoveel beelden naast elkaar bestaan, anderzijds omdat de manier waarop we het concept invullen sterk gelieerd is aan de tijd waarin we leven.
Heel, héél lang geleden geloofden we in natuurkrachten en natuurgeesten om de wereld rondom ons te begrijpen. Zon. Regen. Wind. Leven. Dood. Daarna gingen we die krachten vanuit ons mensbeeld personifiëren en geloofden we lang in een polytheïstisch systeem. Egyptenaren, Grieken, Romeinen. Ra, Zeus, Jupiter en iedereen die onder hen viel. Het was pas later, toen het christendom ingang vond, dat we collectief – in steeds meer delen van de wereld, maar niet overal – naar het monotheïsme zijn overgeschakeld. Eén God voor allen, allen onder God.
Het godsidee is misschien wel het übervoorbeeld van hoe een idee waarheidsbepalend kan zijn. Het zijn geen ideeën die in iets tastbaars kunnen worden omgezet; dan zijn het immers geen ideeën meer, maar realiteit. Wie in zijn hoofd een halfgeleider bedacht, heeft hem kunnen uitvinden. Maar God zal altijd een idee blijven. Een idee dat door een groot collectief aan mensen wordt gedragen en zijn uitzaaiingen in tastbare vorm kent. Achter de muren van het Vaticaan schuilt een van de grootste materiële rijkdommen ter wereld, voortspruitend uit een – hoogstwaarschijnlijk – fictief gegeven.
Fictie houdt de wereld meer samen dan we denken, niet alleen in het grote verhaal der religie. We ploffen neer op de sofa om naar een serie te kijken of een boek te lezen, kruipen samen in donkere ruimtes om een film te kijken, lopen langs elkaar heen in musea waar we schilderijen, beeldhouwwerken en installaties bekijken die tot onze verbeelding spreken. We praten erover met elkaar. Aan de eettafel, tijdens een boswandeling of tijdens het werk. Dat werk doen we trouwens voor bedrijven die, wanneer je ze ontrafelt, eigenlijk zelf ook niet meer dan ideeën zijn. Tesla? Colruyt? Jumbo? Fictie. Yuval Noah Harari houdt er ergens in het begin van zijn boek Sapiens een mooi betoog over.
Wankele wetten
Het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen, is dat wat ‘waar’ is, datgene is dat op een gegeven moment in de tijd de bovenhand heeft. Alles wat we weten en in wetten gegoten hebben, is gebaseerd op voortschrijdend inzicht. De nederigheid om dat te kunnen inzien, hebben we allemaal nodig. Wat gaan we anders zeggen van al die miljoenen mensen die gestorven zijn voor wie het waar was dat de wereld plat was? Wat een domoren? Wie weet wat men binnen enkele eeuwen over ons allemaal zal zeggen.
Zonder gezamenlijke waarheden – of ze nu echt écht echt waar zijn of niet – houdt onze maatschappij en ons leven geen steek. Is er geen draagvlak om op te bouwen, geen collectief om ons eigen kleine individuele bestaan bij in te schrijven, geen groter geheel om ons tot te verhouden.
Wat nederigheid daarbij kan helpen om een open blik op de wereld en de ander te behouden, in plaats van te denken dat we het vanuit een eigen groot gelijk per definitie zoveel beter weten. Het besef dat zoveel relatief en dus wankel is, kan meteen een aanleiding zijn om met elkaar in dialoog te gaan, ook over bubbels heen. Beter dat, dan het anders denken zomaar af te schrijven als onwaar.