Nooitgedacht

Soms vallen appels die niet ver van de boom vallen akelig dicht tegen de stam.

Dinsdagavond was het weer zover. Het was voorbij tienen, de avond eindelijk koud genoeg om voor de eerste keer dit najaar met een dekentje op de sofa te kruipen, de hond tegen mijn linkerzij.

Gezien de indeling van mijn appartement – de televisie bevindt zich op drie meter van de ingang van mijn slaapkamer – en de deal met mijn jongste zoon – hij is bang van inbrekers en slaapt liever naast mij dan in zijn kamer helemaal vooraan de hal, naast de inkom en de straat – is het altijd even wachten tot de slaap echt is aangevat vooraleer het veilig genoeg is om een programma te beginnen kijken.

Net op het moment dat ik met De Slimste Mens wil starten, gaat de slaapkamerdeur open. Daar staat hij, mijn jongste, armen languit naast het lijf, schouders en kin voorover geknikt. Verweesd. ‘Papa, ik moet opnieuw heel hard denken aan het woord met de d.’

Wie al mijn vorige stukjes gelezen heeft, weet dat die ‘d’ staat voor dood. Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt, maar het was ondertussen wel al een tijdje geleden. Hij verbijt de tranen. ‘Kom je?’ Ik knuffel hem en bevestig met natuurlijk. De tv gaat uit, de hond in de bench, het deken blijft onopgewarmd liggen. Terwijl ik de laatste van alle lampen doof en het donker valt, begint hij te snikken. ‘Ooit moet de wereld dan toch ophouden?’

‘Dat is zo,’ zeg ik. Eerlijk duurt hoe pijnlijk ook het langst. Ik sla mijn arm om hem heen en begeleid hem kamer en bed in. Met zijn hoofdkussen zoekt hij mijn schouderkom op.
‘Maar als je dood bent, dan lig je daar toch maar en dan denk je de hele tijd aan niets.’ Het is alsof hij de eerste verzen van mijn laatste gedicht gelezen heeft, het is voor de mens onmogelijk / het niets zijn te denken.
Voor zijn appel ben ik de stam, zelf ben ik even goed een boskoop die hoopt dat de wormen nog wat van zijn vruchtvlees wegblijven. ‘Waarschijnlijk, maar heel veel mensen denken daar iets anders over.’

Hij gaat er niet verder op in, maar herhaalt zijn vraag over het einde van de wereld. Ik leg uit dat de zon ooit zal uitdoven en dat het leven op aarde dan ophoudt. Hij gooit jaartallen door het donker, ik stel hem gerust dat ‘ooit’ meer dan een miljoen jaar is. Het malen is nog niet gestopt.

‘Wat deed jij als je aan slechte dingen dacht?’ vraagt hij.
‘Denken aan een prettig moment,’ zeg ik. ‘Wacht.’
Ik neem mijn smartphone van het nachtkastje en zoek op YouTube de clip van Peter Pan die samen met Wendy en de jongens naar Nooitgedachtland vliegt. Het donker kan niet anders dan warmer worden, zeker wanneer ook Nana aan haar touwtje de lucht in bengelt.
‘De tweede ster rechts,’ zegt hij. ‘Dat zat in Bezwering’. Hij herinnert het gedicht dat hij samen met zijn broer een jaar geleden voordroeg tijdens de lancering van mijn dichtbundel. ‘Kunnen we dat nog samen lezen?’
Ik veer op, wandel naar de boekenkast op de hal en zoek de dichtbundel.
‘Papa? Is er iets?’ klinkt het van ver om de hoek. De oudste zoon ligt ook nog wakker.
‘Ja hoor… Slaapwel.’ Het is niet gelogen, dadelijk komt het goed.

Het kleine lampje in mijn slaapkamer is al aangeknipt, de twee kussens staan rechtop tegen de bedwand. ‘Mag ik het helemaal lezen?’ vraagt de jongste appel.
Hij leest de verzen hardop voor. Ik wrijf over zijn kruin wanneer hij klaar is. ‘Nu kunnen we gaan slapen,’ zegt hij.

Het licht gaat uit. Voor echt dit keer. En ooit ook voor écht. Nooitgedacht. Ik trek de appel dicht tegen de schors.