Mijlpalen en dansende heupen

Er is een periode in je leven waarin je de ene na de andere mijlpaal in de grond poot alsof het niks is. De aarde onder je voeten is nog lekker mals. Je hoeft gewoon met een paaltje aan komen zetten en het leem slikt het als Hollebolle Gijs papier in de Efteling: gaarne en met ontzettend veel goesting. “Mijlpaal hier!” en hop, weer eentje afgecheckt.

Tussen je 18e en je 25e – ik rek het bewust wat uit voor Erasmus- en andere luierende studenten – zijn het er nogal wat: het einde van de middelbare school en de poort naar zelfstandigheid die echt open gaat, het inleveren van je thesis, het behalen van je diploma, je eerste echte job, je eerste echte serieuze relatie, de eerste keer echt alleen wonen.

Mijlpalen maken de dingen nogal wat echter, geleidelijk aan wordt het leem harder van ze aan te stampen. Meer houvast, minder flexibiliteit. Maar zoals Frank Sinatra al wist, You can’t have one without the other.

Alvorens volledig in melancholisch gezwijm te vervallen – naar het einde volgt een tweede poging – terug naar de essentie: de mijlpalen.

Sommige herinneringen eraan dreigen geruisloos voorbij te sluipen tot het toeval aan je mouw komt trekken. Tip: wanneer het over het jubileum van het boek gaat waar je je thesis over geschreven hebt, kan je het toeval een handje helpen door de auteur van dat boek op Instagram te volgen.

Zo ontdekte ik dat het deze maand exact twintig jaar geleden is dat Michael Chabons The Amazing Adventures of Kalavier & Clay voor het eerst verscheen.

Het boek werd me tijdens mijn studies Germaanse Talen aanbevolen door een docente Engelse Taalbeheersing wiens naam ik nu vergeten ben. Over haar weet ik enkel nog dat ze vaak zwart droeg, stijfjes vasthield aan de formalistische structuur van een zakelijke tekst waardoor ik mij van mijn sterielste kant moest laten zien om punten te sprokkelen en dat een van mijn studiegenoten met initialen R.K. (je weet nooit wie hier meeleest) haar niet bepaald onknap vond.

Van de vorige zin zou ze het ongetwijfeld danig op de heupen hebben gekregen, maar als ze ondertussen van Gary Provost’s adagio Don’t just write words, write music gehoord heeft, dan kan ik alleen maar hopen dat er 17 jaar na datum toch enige dansbaarheid in dat zwartomfloerste bekken is geslopen.

R.K. zal er weinig aan hebben, want via Facebook weet ik dat hij voor een ander stel heupen gekozen heeft en dat er daar ondertussen ook kinderen uit zijn voortgekomen.

Cover van de originele editie van Kavalier & Clay uit 2001.

De titel doet het al vermoeden, Kavalier & Clay is geen alledaagse roman. Het boek volgt namelijk het leven van twee jongemannen met een droom: de Amerikaanse cultuur een nieuwe, populaire superheld schenken. En laat superhero comics, en strips tout court, nu niet bepaald het meest literair gefêteerde gegeven zijn. Chabon zelf werd in schrijverskringen haast verguisd omwille van zijn onderwerpkeuze.

En ik merk het zelf ook: heel wat mensen vinden het wel knap dat ik strips schrijf, maar wanneer ik zeg dat ik daarnaast ook aan een poëziebundel en een roman werk, voel je dat de validatie (niet zelden onder de vorm van een ‘oh amai’) van je creatief werk toch vooral door die laatste vormen komt.

In 2001, een goed jaar na de publicatie, hadden criticasters al gedaan met lachen. Chabon won met zijn vuistdikke turf de Pulitzer Prize, een effectief amazing gegeven als je bedenkt dat mensen met capes en speciale gaven pas enkele jaren aan hun steile opmars door Hollywood en de internationale pop culture zouden beginnen.

Ook voor mij was Kavalier & Clay een godsgeschenk. Toen de voornoemde docente me het boek halverwege mijn Tweede Kandidatuur tipte – we moesten een spreekbeurt geven over een van onze passies en ik koos comics – deed ik er aanvankelijk niets mee. Maar dan werd het tijd om mijn thesisonderwerp te kiezen. Ik vond niet meteen een begeesterend onderwerp tussen de lijst die op de valven uithing. Klein beetje paniek, maar een eigen voorstel indienen kon ook. Toevallig had mijn (ondertussen) professor (emeritus) Amerikaanse Letterkunde rond die tijd beslist om het specialisatievak van Amerikaanse Literatuur tijdens de Licenties in te vullen met de bespreking van de 10 meest recente Pulitzerwinners. Waaronder dus Kavalier & Clay.

Mijn voorstel om te analyseren hoe Chabon feit en fictie met elkaar verweef – het leven van Sam Clay en Joe Kavalier vertoont grote gelijkenissen met dat van Supermanbedenkers Jerry Siegel en Joe Shuster – en tegelijk de culturele impact van het stripverhaal vanaf de jaren ’30 te schetsen werd aanvaard. Een thesis met comics als rode draad? When you can have the one, who needs the other?

Het duurde niet lang voor ik hetzelfde gehoon over me heen kreeg dat Chabon ook had moeten aanhoren. De professor Poëzie- en Verhaalanalyse probeerde mij en mijn medeschrijver na een puike paper over De Modderen Man (een dichtbundel van Karel van de Woestijne) te overhalen om onze thesis bij hem te gaan doen. Bij het vernemen dat we respectievelijk iets over moppen in de volkskunde en strips in de Amerikaanse cultuur zouden doen, bliksemde hij ons van onze stoel met de uitspraak, “Hoe is het mogelijk dat mensen die zo goed poëzie kunnen analyseren zo’n dwaze thesisonderwerpen kiezen?”

Ik denk even vaak aan zijn woorden terug als, veronderstel ik, R.K. aan de zwartomfloerste heupen: betrekkelijk weinig maar met een beheerst lachje waarin weemoed nooit ver weg is. Zoals beloofd, ziedaar de melancholie.

Sinds het indienen van mijn thesis heb ik niets meer van Chabon gelezen, tot ik enkele weken geleden in zijn meest recente roman, Moonglow, begon. Alsof het twintigjarige bestaan van het boek nog voor ik ervan wist mij terug tot de auteur riep. Misschien zat het toeval er helemaal voor niets tussen. Vanaf de eerste pagina’s werd ik meteen weer verliefd op de zwierige manier van vertellen, de tongue-in-cheek hoogdravendheid, het onderbreken van een dialoog met anderhalve pagina uitweiding om vervolgens de conversatie verder te zetten alsof er niets gebeurd is.

En omdat Chabon nog steeds een auteur blijkt die graag zijn immense vocabularium etaleert, zit ik nu, net als toen, met een woordenboek naast me om ongekende Engelse termen voor me te verklaren. Woorden als bluster, covetous, acuity. Een half leven geleden, als Germanist in wording, deed ik het met een Van Dale naast me, vandaag met Google Translate op de smartphone. Blijvend capteren wat de woorden allemaal betekenen lukt iets minder goed dan toen. Ik weiger vooralsnog te geloven dat het komt doordat de jaren mijn geest minder flexibel hebben gemaakt, maar omdat ik meer aan en in mijn hoofd heb.

Ik ga naar mijn boekenkast en neem Kavalier & Clay bij de rug op de plank waar het exemplaar al een decennium amazing staat te wezen. Ik klap het open en lach, zonder aan heupen te denken. In de zee van trivialiteiten en alledaagsheden zie ik de mijlpalen plots wat beter staan.

Onze vensters zijn geen ramen meer

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Herman Teirlinck een bijzondere tekst over de wereld die hij zag, kijkend door het venster in zijn woning in Beersel. Het Huis van Herman Teirlinck lanceerde met Bij mijn venster: Schrijven in tijden van corona een oproep naar woordenaars om hem vanuit het heden een brief te schrijven en te formuleren wat we nu zien, hoe onze wereld veranderd is en hoe het ons anno 2020 vergaat.

Converseren over de tijd heen, daar hou ik van. Daarom deed ik eerder mee aan Besmette Stad, de open call van deBuren om in dialoog te gaan met Paul van Ostaijen, en nestelde me ik met veel plezier voor mijn raam in een poging de tijdsgeest te vatten.

Hieronder lees je mijn bijdrage.

***

Beste Herman,

Ik moet bekennen, jouw venster is me vreemd. Ik weet niet wat jij voor je zag wanneer je de ramen opende daar in Beersel, of je eerst gordijnen opzij moest trekken en wie of wat er precies op scène stond. Was het een straat plik plok bevlekt met voor zich uit starende of slenterend keuvelende mensen? Of waren het rijen van bomen die zich niet lieten kennen aan de wind? Ik ben bewust geen foto gaan zoeken – wij kunnen dat vandaag in een vingerknip – omdat het beeld me zou vervuld hebben met een heimwee naar een tijd waar ik uiteindelijk toch niet naar terug wil. Een mens zijn wortels liggen onomkeerbaar verstrengeld in zijn eigen tijdsgewricht. Dat betekent ook dat onze vensters onomkeerbaar anders zijn.

We hebben veel meer vensters dan jij trouwens. Steeds meer van ons, nu, stellen zich openlijk de vraag of dat wel een goede zaak is. Zie je, onze vensters geven altijd licht, maar zelden verlichting. Ze gunnen ons een blik op de ganse wereld, maar je ziet het al van ver komen: zo’n hele wereld past in niemands hoofd, waardoor het opletten geblazen is om niet te struikelen, hoewel onze straten er beter bij liggen dan de jouwe. Over de toestand van de bomen ga ik nu wijselijk zwijgen. Ze zijn in de war, net als wij. Zoekend naar grip, nieuw evenwicht. 

We kijken anders, Herman. Onze vensters maken dat we kunnen binnenkijken in wat er letterlijk nu in pakweg Amerika gebeurt. Maar het had even goed China of Oezbekistan kunnen zijn. We kunnen virtueel rondstaren in het MoMa, clandestien Hollywoodfilms bekijken voor ze de zalen halen en live zien hoe er schoten worden gelost die alles nog meer uit balans slaan. We weten bij benadering hoeveel mensen er precies ziek zijn in vergelijking met gisteren, horen sneller dat iemand in Minnesota onder een politieknie gewurgd werd dan dat onze eigen buurman een week in het ziekenhuis gelegen heeft. Zo ging het toch in mijn geval.

Wie wil kan via zijn venster zien wat ik van die helse knieval vind, maar mijn buurman heb ik nog altijd niet gevraagd naar hoe het met hem gaat. Ik ken zijn naam, weet dat hij vorig jaar een nieuwe wagen heeft gekocht. Op het dashboard voor zijn stuur heeft hij een klein konijntje gezet. Ik heb het raden naar welke herinnering, welk sentiment eraan kleeft, hoewel het elke ochtend vrolijk naar me lacht. De rolluiken aan de achterzijde van zijn woning zijn vaak gesloten. Ik weet niet door welke vensters hij dan kijkt, hoe zijn dagen gaan, wat zijn beeld op de wereld bepaalt. Ik weet het nauwelijks van mezelf. De feiten jagen ons op en wij hollen er steeds meer achter aan. Misschien blijven mijn buurman en ik daarom onbewust uit elkaars buurt, zodat we niet ook nog eens over elkaar kunnen vallen.

Onze vensters openen de wereld, Herman, maar we stappen er alsmaar minder in.

Onze vensters zijn bovendien zo klein en gewiekst dat we ermee kunnen schermen als met degens. Ze geven iedereen een stem, ook wie beter niet zou spreken. Het woord is nog steeds scherper dan het zwaard, maar wapens in verkeerde handen zijn kettingzagen die bomen met de grond gelijk maken. Soms gaat het zo ver dat men zegt dat er bomen zijn, terwijl er nooit een bos heeft gestaan. Geen wonder dat de bomen het zelf ook niet meer weten. We staan al te vaak met getrokken degens tegenover elkaar nog voor er echt iets is gezegd. We schermutselen erop los in de lucht, maar die keren dat we echt voor elkaar staan zijn we onze tanden kwijt. Omdat we het echte spreken verleerd zijn.

Misschien wil ik toch eens komen piepen aan dat venster van jou. Dan kunnen we het over wortels hebben. En evenwicht. Spreken we iets af? Als ik er dan toch ben, wil ik ook graag je buurman ontmoeten.

Tot dan,

Frederik Hautain

Daltonmormels

Zaterdagochtend, een voetbalveld in Lubbeek, een Vlaams-Brabantse gemeente net buiten de top 10 van rijkste gemeenten in Vlaanderen en waar men desondanks dat statuut slechts 614 opcentiemen gemeentebelasting betaalt. Lubbeek is lustig toeven. Maar had ik vooraf geweten welke verschrikking mij te wachten stond, was ik niet er niet naar afgezakt.

Een van de langste hittegolven ooit heeft eindelijk de duimen gelegd tegen de wolken. De dagen voordien hadden ze hun onvrede met de opwarming van de aarde uitgebraakt in stevige onweders, waardoor het rossige gras is weggeëbd en de meeste pelousehouders alweer vergeten zijn dat er überhaupt een groot probleem door de hemelen dwaalt. Ze zitten opnieuw voor hun tv, want in de Jupiler Pro League is de bal ook zonder publiek weer vlotjes aan het rollen gegaan.

Ik denk dat Kompany zich daarom tot coach van Anderlecht heeft gekroond: zo heeft de competitie haar grote verhaal voor dit jaar beet, elk weekend gejubel en gebash verzekerd. Eleven Sports, Telenet, Proximus, Vier, Frank Raes en om een nog onduidelijke reden ook vtm 1 tot en met 38 zijn hem nu al eeuwig dankbaar.

Dit seizoen is ook mijn jongste gestart met shotten, naar het voorbeeld van zijn twee jaar oudere broer. Als je mijn kinderen samen met twintig andere bengels op een willekeurig rijtje zet en een even willekeurig iemand vraagt er de sportievelingen uit te halen, dan garandeer ik je dat die persoon mijn oudste wel en mijn jongste niet selecteert. De eerste heeft de lichaamsbouw van een junior Jerom, de andere is een pluimpje met disproportionele ledematen en een hoofd dat in de wolken zit zelfs wanneer de hemel egaal blauw is. En voor u denkt, “Da’s dan duidelijk”, wil ik u als jonge ouder zijnde graag het volgende advies meegeven: schrijf je kinderen niet te snel af, medeoudergenoten, ze vinden altijd wel iets om je mee te verbazen.

Het is de zaterdagochtend van mijn jongste zijn tweede voetbalwedstrijd, de eerste die ik kan bijwonen. Ik was aangenaam verrast. Het sportieve beeld dat ik van hem had werd positief ontkracht.

Zijn drie voornaamste kwaliteiten als voetbalkuiken tot dusver en in volstrekt willekeurige volgorde: het instinctief naar buiten draaien met de bal om vervolgens de flank af te lopen, zijn hoofd de helft van de tijd in de wolken te steken om toch plots op de juiste plaats te staan om de bal over de lijn te werken, en voldoende rust nemen langs de kant. Kinderen mogen onbeperkt wisselen, dus waarom daar geen gretig gebruik van maken?

Die ochtend zou er nog een tweede denkbeeld aan diggelen gaan. En ook hier zat mijn jongste –ongewild – voor iets tussen. Tijdens een van zijn talrijke rustpauzes ging ik voor mijn zoon door de knieën om hem goede moed in te praten. Terwijl ik hem knuffelde, nestelde een schalkse wesp zich geruisloos tussen onze omhelzing. Ik zag ze met haar angel in mijn linkerarm friemelen voor ik de pijn goed en wel gewaar werd.

Misschien heb ik doorheen de jaren een dikker vel gekregen, maar een wespensteek doet betrekkelijk weinig pijn. Dju toch.

Mensen die mij van jongs af aan kennen, weten dat ik met een hemelse schrik voor die gestreepte mormels door het leven wandelde. En vaak ook liep. Wat Lubbeeks burgemeester Theo Francken ook moge beweren, geel-zwart is niet het doembeeld voor 2024. Neen, al van in 1994 was het dat van mij.

Ik was 11 toen ik mijn tweede en laatste wespensteek kreeg. Ik kan de beelden nog perfect afspelen, net zoals ik dat kan met waar ik me bevond op 9/11 of 11 maart 2016. Ik geef het maar mee zodat u het naar waarde kan schatten. Het was een zomerse vrijdagavond, we waren op bezoek bij mijn grootouders, ik voelde iets kriebelen op mijn rug, stak mijn rechterhand in de kraag van mijn hemd… en kreeg een flinke steek in mijn handpalm. Met flink wat brullend gehuil tot gevolg.

Nagenoeg mijn hele jonge leven heb ik gesleten met een grootse schrik voor wespen. Op broeierige barbecues – toen ook al met sausjes van D&L – vond je mij met m’n drie stukken vlees binnenshuis van zodra er buiten een daltonmormel de boel kwam verzieken. Zo geschiedde het lange tijd, maar ik moet zeggen, de laatste tien jaar ging het steeds beter. Dat dikkere vel zal toen beginnen groeien zijn. Ironisch genoeg vierde ik mijn hoogtepunt exact een week voor die bewuste zaterdagochtend. Eveneens op een bbq kwamen er plots vijf wespen aandraven en ik slaagde er zowaar in te blijven zitten.

Terug naar die zaterdagochtend. ‘Is het dat maar?’ was het eerste dat door mijn hoofd ging toen ik de wesp nakeek, haar onwetende tocht verder zettend. ‘Heb ik me dáár zo lang zo druk om gemaakt?’

In onze hoofden maken we dingen vaak groter dan ze echt zijn.

Drie dagen later hoor ik op de radio dat Vlaamse YouTubesterren doodverwensingen rondbazuinen uit jaloezie over hun aantal volgers en dat Messi nooit uit Barça weg kan omdat zijn afkoopsom 700 miljoen euro bedraagt. Ik hoop nu al dat een oliesjeik dat bedrag neerlegt en de wereld nog meer verziekt. En dat we ons daarna collectief burgerlijke partij kunnen stellen tegen zo’n monsterlijke wandaad. En dat die sjeik dan gedwongen wordt om het dubbele van dat geld in rosse frankskes in de gapende kloof tussen rijk en arm te gieten.

Diezelfde avond laat lees ik nog dat Greta Thunberg gewoon weer teruggaat naar school. De pelousehouders liggen ondertussen al lang onder de wol. De woorden van een tweetend Lubbeeks burgemeester van eerder die dag schieten door mijn kop…

“Waar is het toch misgelopen?”

Plankenkoorts

een land zonder cultuur
is een land zonder connectie
een land zonder cultuur
is een land zonder reflectie
een land zonder cultuur
is een land zonder introspectie

een land dat niet meer bloeit

sla kunstenaars uit de boeien
zodat ze weer kunnen maken
hand in hand
op veilige afstand

geef ons de vaste waarden en de experimentelen
in de kunst is voor alle kleuren plaats

laat ons weer in een spiegel kijken
laat het volk weer zien dat het
zichzelf kan overstijgen
dat het kan vliegen
zonder een vlag te volgen

dat is het
u bent stiekem bang
omdat er nog een plaats bestaat
waar men de regie wel
in handen kan nemen

dat kunst beter bij machte is dan u
om te tonen dat het samen kan

Meeneemchinees als ontbijt

‘Chocobolletjes of boterhammen?’ vraag ik aan mijn kinderen terwijl buiten de voorlopig voorlaatste dag van de hittegolf inzet zonder de concepten ‘nacht’ en ‘ochtend’ te erkennen. 

Ik leg hen de keuze voor zoals zo vaak; een staycation brengt op ontbijtvlak weinig verandering. De verse fruitsla, hoewel nog steeds op het menu, bied ik hen niet meer aan. Ze gaan er toch nooit op in en vragen later op de dag wel spontaan naar een stuk fruit. 

De jongens counteren mijn voorstel meestal met de vraag welke ontbijtgranen ik precies bedoel, de vlokken of de echte bolletjes — Chocos of Pops voor de ingewijden, al kopen we zelden echte Kellogg’s — waarop ik beide dozen uit de kast haal en demonstreer dat het vandaag net hetzelfde aanbod als gisteren betreft. Ik weet niet of ze met opzet twijfelen om mij langer met de dozen te zien schudden of dat ze in hun hoofd de smaak van beide graansoorten denkbeeldig over hun tong laten rollen. 

‘Is er nog Chinees? Ik wil sprietjes,’ declameert de jongste plots. Ik stop terstond met schudden. 

Gisteravond waren we Chinees gaan halen omdat twee vijzen van de nieuwe hoogslaper van diezelfde jongste hun koppigheid pas lang na etenstijd hadden laten varen. Mijn rol was zoals zo vaak bij Ikeaklussen beperkt gebleven tot assisteren wanneer nodig. Ook bij ons zijn zelfbouwpakketten van de Zweedse woongigant voer voor gewapend conflict en verworden köttbullar vliegensvlug tot fysieke of verbale kogels die net geen gaten in je hoofd slaan. 

Wanneer je zoals ik met twee linkerhanden geboren bent en je hoofd ontploft bij het zien van een bundel tekeningen die voor iemand anders als een helder plannetje geldt, moet je je plaats kennen. Ofschoon ik alles rechts doe — behalve schrijven en mijn mes vasthouden wanneer er geen vork aan te pas komt — zit er in mij geen Handige Harry verstopt. Er is nochtans met menig koevoet geprobeerd, maar Harry zal voor mij altijd de aalvlugge crimineel uit Postbus X blijven.

‘Nu niet. Straks,’ antwoord ik wat strenger om de gedachte uit mijn zoon z’n hoofd te praten.
‘Maar waarom?’
‘Omdat dat niet gaat als ontbijt.’
‘Maar waarom papa?’
‘Ja, waarom eigenlijk?’ mengt de Ikeaqueen zich in de strijd. ‘In Thailand was je de eerste om ’s ochtends rijst te eten,’ zegt ze, doelend op onze huwelijksreis 12 jaar geleden. Ruimdenkendheid neemt inderdaad met de jaren af, zo blijkt. 

Ik herbeleef een stuk uit We Moeten Nog Eens Afspreken, de recentste zaalshow van Bart Cannaerts, waarin de comedian een pleidooi houdt voor het afschaffen van collectief in ons hoofd geprente onnozele regeltjes. Wanneer zijn dochter hem op vakantie vroeg waarom ze later op de namiddag geen tweede ijsje mocht en het automatische antwoord ‘je hebt er vandaag al een gegeten’ volgde, stelde Cannaerts die reactie in vraag. We zeggen zo’n dingen omdat mensen rondom ons en vooral onze ouders het ons ook zeiden. Maar wat maakt het uit, voor die een of twee weken dat je op vakantie bent, dat je dan eens een extra ijsje toestaat? 

‘Ok, het is goed,’ zeg ik en haal het bakje vegetarische bami goreng uit de koelkast. Terwijl ik de rijstnoedels op een bord schep, denk ik aan hoe snel we allemaal regels volgen zonder er echt bij na te denken. Over het waarom, het nut, de consequenties. Voor onszelf, voor elkaar. Ik denk aan hoe we — of toch de meesten onder ons — gedwee de coronaregels naleven, aan de Reuzegommers die hun schachtentemmer blindelings volgden. Omdat het ons wordt opgelegd.

‘Met currysaus?’ vraagt de jongste voor het bord in de microgolf verdwijnt. Die was ook nog over. Ik kwak snel twee eetlepels donkere kerrie op wat witruimte op het bord. Hij heeft zijn slag thuis gehaald. Terwijl de bami rondjes draait, kan ik alleen maar hopen dat het hem zo gaat smaken als de combinatie van choco met olijven die hij onlangs uitgevonden heeft en waar hij elke keer weer van geniet.

Wanneer ik drie minuten later het dampende bord naar het terras breng, zeg ik tegen de oudste dat hij de halve liter melk die hij over zijn kom pops heeft gekieperd naar binnen moet werken. 

Er was dan wel chinees over, voor die melk heeft een koe moeite gedaan.

Ongedeerd

wij chillen, willen, schoppen keet
moet kunnen want we zijn
de elite zoals dat heet

al zouden we bleutjes onderkoelen
komen we er goedkoop van af
we zijn de elite, de coolen

niet het dulle kaf maar ’t gulden koren
loopt er al eens iets mis, valt er een dode
’t netwerk zal ’t wel in de kiem smoren

hé duw nog eens wat visolie
door die schacht zijn trechter
toe maar, voel de macht er is niks loos
een van onze moekes is een rechter

nee
niet stoppen zot

oh shit oh shit kom
we wissen ’t wel uit
met een reuzegom

Kleine hoofdjes

Ik scrol door mijn Instagram Stories om een moment dat ik als dood heb bestempeld op te vullen. Opnieuw kom ik niets tegen waar ik niet zonder had gekund, maar de brandende cirkeltjes rond de hoofdjes van mensen die ik meestal niet eens persoonlijk ken kietelen de zenuwbanen naar mijn basale nieuwsgierigheid. De fear of missing out is groter dan de voldoening die ik uit de handeling haal.

Enkele van de hoofdjes wiens verhalen fonkelend op me wachten ben ik onlangs gaan volgen omdat ze bekend staan als Instagramfenomeen. Om te kijken hoe je dat doet, fenomeen zijn.

Meermaals per dag blinken ze, hun kleine hoofdjes. Ze zijn wondersnel een vast onderdeel van mijn dagen geworden. Mijn duim maakt mijn hersenen wijs dat er meer dode momenten zijn dan ik voor lief heb. Sterker nog, mijn duim en mijn hersenen zitten samen in het complot. Dat is het. Ze hebben onder hun tweetjes beslist dat kleine shotjes dopamine wél beter zijn dan de muffe leemte achterna.

Ik zet het onbehagen uit mijn hoofd, want ik wil een stukje van wat zij hebben. De fenomenen. Geen 50 of 100,000 volgers, maar toch iets meer dan de 274 die ik vandaag heb (waarvoor dank allemaal). Op Facebook een gelijkaardig verhaal.

Op sprokkeltocht naar tips begon ik twee weken geleden in een boek. Een dat belooft uit de doeken te doen hoe je als gewone sterveling – want dat was de auteur zélf ook – snel een schare volgers op sociale media kan verwerven. Het kostte hem een maand om van quasi nul naar 1 miljoen te gaan. Wauw seg amai, hoor ik Eddy Wally vanachter de hemelpoort in mijn rechteroor fluisteren.

Uit het eerste hoofdstuk van het boek heb ik geleerd wat ik al wist en wat ik had kunnen vermoeden: fans sprokkelen gaat niet vanzelf en kost naast tijd – al was het maar een maand – ook geld. Door mensen die mogelijks in jou(w boodschap of product of dienst) geïnteresseerd zijn advertenties voor te schotelen in de hoop dat ze je gaan liken, bijvoorbeeld.

Maar, zo stelt de auteur, wat is nu 5 of 10,000 dollar als je daarmee zo veel méér kan bereiken? Dat is het juiste woord. Bereik op social media leidt immers tot succes in het echte leven: hij citeert een actrice die in de krant toegaf een rol te hebben gekregen omwille van haar reach, terwijl ze niet te beste actrice in de auditie was. Goed voor de box office, jammer voor de artistieke integriteit. Het is een erg letterlijke vorm van vriendjespolitiek: hoe meer vrienden, volgers en verdwaalde geesten volgen wat je doet, hoe meer kans op slagen. Zo werkt het nu eenmaal.

Dat wringt. De zin om nog verder te gaan in het boek verdween even snel als de bevroren bodem in Siberië deze zomer. Het ligt nu al een week glans te verliezen op mijn nachtkastje.

Absoluut, ik wil dat mijn werk gezien wordt, maar dan omwille van de kwaliteit van het werk. Dat daar dan volgers van komen, des te beter. Zo zou het moeten werken.

Zo’n grote schare volgers moet toch ook een grote druk met zich meebrengen denk ik dan. Want eens je ze hebt, moet je ze tevreden houden. Ze blijven voeden. Iets interessants te vertellen hebben. Al vind ik dat dat laatste vaak nogal tegenvalt. Ook bij de veelpostende fenomenen. Dansen en springen en daar een kleurige filter over gooien, benen wandelend over een trottoir, een rondleiding door een vensterbank vol kamerplanten, foto’s met de nieuwe hond, gekke mondmaskers, tussendoor een product aanprijzen. Zonder cynisch te willen klinken: ik zie er de meerwaarde niet van in. En toch. Nog steeds kijk ik, wil ik een deel van wat zij hebben.

Omdat we nu eenmaal met z’n allen daar zitten en vaak te lang en te veel dan goed voor ons is. Maar de tactieken die goeroes verkondigen om te geraken waar zij zijn, die gaan er bij mij niet in. Ik vind ze vaak te opdringerig – te intrusief zoals dat in marketingtaal heet – te weinig authentiek.

En een van de zaken waar ik altijd aan heb willen vasthouden is authenticiteit. Voor zo ver dat kan, want we weten allebei dat onze spataders en cellulitis nooit geselfied zullen worden. Positieve authenticiteit dan? Neen, want het zou juist positief zijn als we onze love handles en littekens zonder schroom durfden laten zien. Laten we dan afkloppen op authenticiteit-waar-je-voor-wilt-staan, zoiets? Akkoord.

Daarbij komt wel de vraag hoe lang je écht authentiek blijft als je je online gedrag gaat boetseren naar de content die aanslaat. Want dat is nog zo’n tactiek uit het boek: test wat werkt en ga daarmee verder. ‘Content’ heb ik in deze trouwens altijd een vreemd woord gevonden: content betekent letterlijk ‘inhoud’ en laat dat nu net hetgene zijn waar in de vluchtigheid van de socialmediawervelwind steeds minder ruimte voor is.

Want als het niet in jou zit om in het rond te gaan toeteren, dan moet je dat niet gaan doen. Wanneer je een muurbloempje op een tafel zet, transformeert het niet in een tafelspringer maar in een plant in een pot. Nog steeds niet bijster sexy, maar hij raaskalt niet en smakt ook nooit dronken tegen de grond.

Terwijl ik verder zoek naar een tactiek die me niet muf maakt, niets kost en toch voor een gestage aangroei volgers zorgt – mensen aan wiens duim en hersenpan ik eigenlijk zeg dat het ok is om mee in het complot te zitten – komt uit een hersencel in mijn verdwaalde geest een gekke gedachte aanzetten.

Stel dat we al de tijd die we op social media al hebben doorgebracht in onze levens zouden kunnen omruilen in echte etentjes met onze volgers. Hoeveel kilo’s zouden we niet bijgekomen zijn, onze buikjes voldaan, onze hoofden ervaring en diepgaande conversaties rijker. Met echt praten en luisteren. Woord en wederwoord, zacht of hard, maar waarbij we elkaar wel diep in de ogen kunnen en moeten kijken.

Mijn buik grommelt er nu al van.

Nadat ik dit stukje gepubliceerd heb, ga ik zelf een klein hoofdje worden. Daarna ontvolg ik de fenomenen. Dat heb ik mezelf beloofd, want ik word er niet content van.

Maar wacht.

Toch eerst nog één keer kijken.

Blinddoek

verzen verzen
een betekenis die niet
in woorden zit
een betekenis    die niet
maar erbuiten valt   

            / bloesems

hijgend openvijzen op een werktafel
leggen weigeren ze weer in elkaar te zetten
daarom niet uit koppigheid maar
omdat het niet meer kan

ik wrijf met mijn ogen dan
met mijn handen over glad
verval in strelen nee trekken nnh duwen
van top tot palm over levenslijn

en vraag me af hoe een blinde
gestreken gewrichten leest