Meer van dat

we zweven in een meer van tijd
een bootje klokt over de rimpels

ze wateren uit tegen kindervoetjes
hun roodbruine wangen vangen
evenveel zorgen als de bomen
die ons omringen

duizend stammen dikken
de jaren aan alsof het niets is

de zon speelt het spel mee
en heft voor een keer
de schaduw op

Creativiteit voor paniekzaaiers

Vorige week beloofde ik dat mijn volgende stuk zou gaan over mijn gemoedstoestand tijdens het creëren, in mijn geval schrijven. Laat het meteen duidelijk zijn: er zijn weinig dingen die me vooraf meer stress bezorgen. Maar er zijn ook weinig dingen die me nadien meer genoegdoening schenken, waar ik met evenveel voldaanheid op kan terugblikken, dan een voltooid stuk, hoofdstuk of verhaal.

Ik heb me al vaak afgevraagd waarom ik toch altijd die grote onrust voel rond het schrijven, alsof ik altijd een bepaalde barrière moet overwinnen. Ik denk niet dat het een vorm van imposter syndrome is, of toch niet meer, het is een vorm van faalangst, dat is het.

De enige vorm van schrijven waar ik het niet bij heb, is bij poëzie. Vermoedelijk heb ik er daar geen last van omdat een gedicht een kleinood is, iets waar ik geen verwachtingen aan koppel en wat ik puur schrijf vanuit een bepaalde emotie of een initiële gedachte, van waaruit ik vrij ga associëren en bouwen. Een gedicht overvalt me eerder, is voor mij zelden of nooit gezocht of gekunsteld. En het eindresultaat ligt meestal om de hoek.

Bij alle zaken die langer zijn – artikels, columns, scenario’s, boeken – heb ik dus last. En die last leidt vaak tot uitstelgedrag, tot, zoals Calvin het zegt, het een rush van de laatste minuut wordt om iets gedaan te krijgen. Dan ruil ik de angst voor het ongewisse en het niet goed genoeg kunnen in voor de angst om het missen van een deadline. Het gaat zo vlot als in een winkel een kledingstuk omruilen op vertoon van een kassaticket. In het geval van een artikel is het dan snel onderaan de pagina wat kernwoorden noteren en beginnen tokkelen. In deadlinemodus zijn die enkele richtingaanwijzers voldoende. Het moet immers nu gebeuren, er is geen andere weg.

Voor grote schrijfopdrachten – schrijfwensen waar een deken van vrees overheen hangt – spendeer ik voorafgaand aan het eigenlijke schrijven heel wat tijd in mijn hoofd zonder noemenswaardig constructieve dingen te denken. Ik krijg enkel vonken van ideeën in mijn hoofd, het breien van het verhaal gebeurt met een pen in de hand of met een toetsenbord in de aanslag.
Tot een jaar of twee drie geleden wachtte ik bijna altijd tot ik hét voelde: een innerlijke drang om me op het verhaal te storten. Dat kwam omdat ik ervan overtuigd was dat het beste werk voortvloeit uit een bepaalde flow, een onverklaarbare connectie met een soort van magische bron waar je uit tapt, een toestand tussen bewust en onbewust in waarin enkel het creëren telt, die tijd en ratio opheft. Een soort van gelukstoestand waarin alles stroomt, die psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi in zijn TED talk het best definieert.

Maar het juiste moment komt natuurlijk zelden, flow werkt niet zoals een lichtschakelaar. Je moet het moment creëren en er vervolgens op vertrouwen dat het wel zal gebeuren, dat door je meer en meer te concentreren op de taak die voor je ligt, je uiteindelijk in die toestand vervalt waar alles in elkaar lijkt te klikken.

Vaak is het een kwestie van ‘Ok, ik zet me eraan en we zien wel wat er komt.’ De evidenties die je wel vaker hoort, zijn allemaal waar: je moet het gewoon doen, je schrijft het in eerste instantie gewoon voor jezelf, valt het tegen dan kan je altijd herschrijven, … Ze kloppen stuk voor stuk. En soms komt het ook niet. Volgende keer beter, al is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Dan is het toch voor mij nog altijd even doorbijten en volhouden, zoals fitnessoefeningen, maar dan met mentaal resultaat.

Scenario’s en boeken schrijven zich niet op een paar uur of enkele dagen zoals poëzie, artikels en columns dat doen. Ook daar heb ik ondertussen geleerd me achter de schrijftafel te zetten en eraan te beginnen. Woord voor woord. Er zal we ontstaan wat er ontstaat.

Een trucje dat me bijzonder goed helpt, is instrumentale muziek door mijn oren pompen: hoofdtelefoon op en de piano zijn ding laten doen om de ruis in en rond mijn onrustige hoofd weg te werken, me te laten concentreren op het beeldscherm en het verhaal. Toen ik nog echt last had van imposter syndrome dacht ik dat een hoofdtelefoon opzetten me minder schrijver maakte: Dickens, Hemingway, Joyce, Elsschot, Claus, die deden het allemaal zonder. Nu ja, Claus misschien niet. Maar wat maakt het uit? Het doel heiligt de middelen, toch?

Wat me nog beter helpt dan muziek is validatie. Van buitenaf duimpjes omhoog krijgen doet wonderen voor mijn creatieve drive. Eens ik van Oogachtend hoorde dat het eerste deel van het scenario voor De Walvis goed zat, schreef ik het resterende tweederde op twee weken tijd. Dan gaat het gaspedaal haast automatisch in en komt de flow verbazingwekkend snel. Zo ook bij de roman die ik dit voorjaar voltooide. Nadat mijn literair agent in november groen licht gaf na het lezen van de eerste honderd pagina’s, stroomden de volgende tweehonderdvijftig er op drie maanden uit.

Tot op vandaag vind ik het vreemd hoe creativiteit werkt. Sinds ik een goeie vijf jaar geleden mijn schrijverschap echt serieus begon te nemen, heb ik stappen vooruit gezet, teer ik meer op ‘doen’ dan op ‘afwachten’ en slaag ik er zelfs af en toe in om zaken ruim voor deadline in te dienen. Kwestie van ook wat aan dat uitstelgedrag proberen te doen, want uitstelgedrag maakt de angst er niet minder op, hij wordt er alleen maar door gevoed.

Een aanhoudende stroom van intrinsieke motivatie zou het beste zijn, maar zo werkt het niet. Gelukkig ben ik gaandeweg toch voorbij dat stadium van ‘last-minute panic’ uit de cartoon hierboven geraakt. Een gedachte die me daarbij geruststelt is dat alles wat iemand maakt – of het nu iets met woorden, muziek, verf of klei is – slechts één bepaalde verschijningsvorm van een idee, een hoger creatief ideaal is. Misschien is dat wel goed genoeg.

Icarus

ik wil meer zijn dan
een korrel zand die ooit een kei hoopt te worden
ik wil meer zijn dan
een steen die vijf keer kaatst op het water
ik wil meer zijn dan 
een kolk die al dat water opslokt
en wat verloren is gegaan
in de eeuwige diepte parkeert

is het genoeg als ik het zonlicht ben
dat die bodem beroert
het verlorene een tweede leven geeft
weerspiegeld in haar straal
is dat genoeg

moet ik daarvoor geel zijn
of beter nog van goud 
eeuwig jong of eeuwen oud
alles weten of alles durven vergeten
almachtig en zondeloos
of net seniel en broos
wat is genoeg

met vleugels van veren en was 
komt men er niet dat weet ik wel
maar de zon zwaait pas over een miljoen jaar af
en op dit moment vaart er weer een schip richting graf 

Op zijn minst de liefde

‘Ik heb het weer moeilijk, papa.’

Met die woorden opent de oudste de deur van de woonkamer. De dag heeft zich eindelijk gewonnen gegeven aan de avond, het is de op één na langste van het jaar. Op televisie blijft Engeland overeind tegen Tsjechië voor de eerste plaats in hun EK-poule. Ik zet de tv uit om me ten volle te concentreren op wat mijn zoon te vertellen heeft. Zelfs in het driekwartdonker zie ik dat in zijn ogen de moeheid plaats heeft gemaakt voor droefenis.

‘Het gaat over je weet wel.’

Ik weet het. De dood. Sinds enkele weken kan hij vaak de slaap niet vatten omdat gedachten erover door zijn kop spoken. Die gaan in eerste instantie niet over zelf te sterven, maar over de eindigheid en de onmogelijkheid om de betekenis van het leven te vatten. Als zijn krakende hersenen geluid zouden maken, waren we nu allebei doof.

‘Dat vind ik zelf een van de moeilijkste zaken die er bestaan,’ geef ik toe. ‘Dat we het niet weten en dat nooit kunnen.’ Wanneer je kinderen met zaken komen waar je zelf het antwoord op moet schuldig blijven, helpt alleen de eerlijkheid. ‘Het beste wat we kunnen doen is er voor elkaar zijn.’

Twee dagen later herhaalt het tafereel zich. Dit keer ligt hij in het grote bed. Soms biedt de slaapkamer van mama en papa een houvast die we zelf niet ontwaren. Hij vraagt of ik nog even bij hem kom liggen en drukt zijn struise lijfje tegen mij aan. Er was een akkefietje geweest met een andere leerling op school, ik vraag of hij daar nog mee in zijn hoofd zit. Nee. ‘Ik wilde nog een knuffel.’
‘Dan is het goed dat je er een vraagt,’ zeg ik en kom de warmte van zijn verzoek tegemoet. De stilte is niet voor lang.
‘Ik heb weer zo’n vreemd gevoel rond mijn hart,’ zegt hij. Hij duwt zijn hoofd steviger in mijn borst, ik span mijn armen om zijn schouders extra op. ‘We hebben maar één kans.’ Vrijwel meteen volgen er tranen, gesnik. ‘Maar één kans.’
Hij hijst zich naast me, wrijft door zijn ogen. ‘Als je dood gaat, dan ben je er niet meer en dan gaat alles verder zonder jou.’

Toen de angst voor de dood vorig najaar onder de hoogslaper van mijn jongste had postgevat, was lichaamswarmte voldoende om het monster te bedwingen. Bij een ouder kind, een schrander exemplaar dat alles wil doordenken, is de kous daarmee niet af.

‘Hoe zou bompa ernaar kijken? Want voor hem is het al veel dichterbij. Ik heb geluk dat ik nog zo jong ben.’
‘Ik denk misschien dat bompa daar niet zo heel veel aan denkt,’ is mijn antwoord, veel meer een gok dan een wetenschap. Dat soort gesprek hebben zijn bompa en ik nog nooit gevoerd, besef ik. Met leeftijdsgenoten wel, de voorbije maanden enkele keren zelfs. Omdat ik er zelf weer meer mee bezig ben. Hoe alles rondom ons blijft verder gaan, terwijl de wereld binnenin ons op een gegeven moment stopt. Hoe we allemaal kleine universumpjes zijn op onszelf, hoe we ons vanbinnen ook oneindig voelen. Tot het voelen stopt.

Knip.

Je maakt een kind en probeert het dingen mee te geven, voor andere dingen te behoeden. Soms lukt dat niet. En valt de appel akelig dicht bij de boom.

Een van de fundamentele worstelingen die ik niet weggeknipt krijg, is dat ik het leven niet begrijp en dat ook nooit zal doen. Veertien jaar geleden leidde dat een eerste keer tot een diepe existentiële crisis. Is alles chaos? Toeval? Heeft alles een reden of niet? En indien niet, wat dan met de rede? Betekenis? Kennen we die alleen maar zelf aan dingen toe, of is er toch een hoger goed, een doel?

Het is een potje dat ik doelbewust gesloten houd, wetende dat het verlossende antwoord nooit zal komen. Het is een potje waar met moeite een dekseltje op past. De enige beschutting ertegen is de liefde. Dat probeer ik ook deze avond opnieuw aan mijn zoon mee te geven. De wereld mag dan ondoorgrondelijk zijn, we hebben wel nog elkaar.

‘En jullie gaan er ooit ook niet meer zijn.’ Net daarom moeten we het proberen. Dat de liefde levend blijft. Op zijn minst de liefde.

Ik prent mezelf in dat elk kind op een gegeven moment over de grotere levensvragen begint na te denken, hoop dat het veeleer dat is dan aanleg, dat het iets is dat hoe dan ook komt, niet iets dat je doorgeeft zonder het zelf te hebben gewild. Want van alle dingen die ik niet had willen doorgeven, staat mijn slecht afdekbaar potje toch hoog op de lijst. Geen enkele ouder wilt zijn spoken ook door de hoofden van zijn kinderen zien dwalen.

Meneren en matroesjka’s

Mijn kinderen kijken al eens naar Ghost Rockers, de Studio 100 serie over een rockgroepje met in de hoofdrollen Marie Verhulst – voor ze aan Samson vastgeketend werd – en Tine Oltmans, die zich ondertussen van haar meest mistroostige kant laat zien in de telenovelle Lisa op vtm. De Ghost Rockers botsen vaak op problemen met een paranormaal linkje en brengen op regelmatige basis hits ten berde als Alles is stil, Vallen en opstaan en de fruitige voltreffer Jij bent mijn aardbei, dewelke ongeveer rond deze periode van het jaar ontsproten moet zijn aan het brein van een lid van het bataljon tekstschrijvers dat Studio 100 in dienst heeft.

In Alles zingt Tine ‘Ieder hart stopt ooit met kloppen/Alle jeugdigheid verdwijnt’ op een haast tragisch schreeuwende manier, alsof haar jonge lenden nu al voelen dat het verval ooit onherroepelijk zijn intrede zal doen. Er moet iets van waar zijn van wat ze zingt, want op mijn verjaardag gisteren kwamen tussen het gelukwensen door tot driemaal toe de opmerkingen naar boven die me wezen op het feit dat ik nu toch echt wel wat ouder begin te worden. Ik ben 38 geworden, de 40 lonkt. Niet aan de horizon, maar aan de overkant van de rivier, zo snel gaat de tijd. Wie 38 is, staat dichter bij de 50 dan bij de 25, de echte jeugdigheid behoort weldra tot het verleden. Behalve dan in je hoofd, de enige plek waar je zo oud bent als je wil zijn.

Want wat betekent het om volwassen worden? Ik vraag het me nog steeds af, ben in mijn gevoel nog steeds bezig om ‘het’ te worden, veeleer dan dat ik het echt ‘ben’. Het enige dat ik zeker weet, is dat ik de pubertijd achter mij gelaten heb. Verder voelt het nog altijd vreemd wanneer men mij bij de bakker, de slager of de apotheker ‘meneer’ noemt.

Op mijn achttiende aan het begin van deze eeuw begon ik te studeren in Leuven. Op de eerste dag in toen nog eerste kandidatuur stapte ik van de trein de Bondgenotenlaan in, een kilometerlange ader naar het kloppend hart van de stad waarlangs menig intrede plaatsvindt. De koning te rijk keek ik omhoog naar de zonnige hemel en dacht, ‘nu gaat het beginnen’. Ik was dan wel student, maar daar bleef het ook bij. Drie jaar later in 2004 toen ik voor het eerst alleen een verre reis maakte – naar Phoenix en San Diego – had ik een gelijkaardig gevoel toen ik naar de gate van het vliegtuig liep. Maar opnieuw: niets. In beide gevallen gingen er nieuwe werelden open, maar de poorten naar het volwassen leven bleven dicht, of in elk geval buiten mijn bereik.

Ondertussen kan ik alleen maar zeggen dat het enige dat wezenlijk veranderd is, is dat de wereld kleiner is geworden. Het lijkt wel dat hoe meer werelden je opent, hoe meer je ontdekt, hoe kleiner de wereld in zijn algemeenheid wordt, alsof hij een matroesjka is die onherroepelijk kleiner wordt naarmate je dieper graaft.

Ergens heb ik nog steeds het beeld dat ik als jongen had, dat er een moment zou komen waarop je officieel beëdigd wordt als volwassene: na het afleggen van je examens, het behalen van je rijbewijs krijg je een strak kostuum aangemeten zoals in Mad Men en hopsakee je speelt mee in de zandbak van de grote jongens. Ondertussen is het al 16 jaar geleden dat ik én mijn rijbewijs heb behaald en mijn laatste examen achter de kiezen heb gestoken en is mijn eerste kostuum al versleten. Toch ben ik nog steeds wachtende.

Godot kwam ook nooit, misschien is het ook zo met de volwassenheid. Het moment komt niet omdat het allemaal één groot gedoe is, die zandbak: we zitten er gewoon allemaal samen in, de ene vrolijk met de armen een accordeon vormend met zes andere lustige zangers, de andere alleen met z’n emmertje en schepje in een hoek.

Er is geen toegangsticketje tot de volwassenheid. Misschien moeten we daarom zeggen dat mensen ofwel ‘kind’ zijn ofwel ‘kind af’. Eens je kind af bent, loopt alles gewoon in elkaar over en is dat hele volwassen worden een regelrechte schijnvertoning.

Zo is het ook volgens Neil Gaiman, die in The Ocean at the End of the Lane een alwetend elfjarig meisje het volgende inzicht in de mond legt:

Grown-ups don’t look like grown-ups on the inside either. Outside, they’re big and thoughtless and they always know what they’re doing. Inside, they look just like they always have. Like they did when they were your age. The truth is, there aren’t any grown-ups. Not one, in the whole wide world.

Wie zich toch volwassen meent te voelen, kan zich links aan het onthaal aanmelden voor inspectie.

De slinger en de kus

Lady en de vagebond uitgespuwd door vegetariërs omwille van te opzichtige dikke gehaktballen in spaghetti.’

‘Gaïa vraagt verbod op vertoning van 101 Dalmatiërs wegens puppymishandeling.’

Het mag niemand nog verbazen mochten deze koppen binnen afzienbare tijd in de krant staan. Nu de puurste der grandes dames van Walt Disney – Sneeuwwitje – zo is aangevallen, is het hek van de dam. En dat allemaal door die ene, tot voor kort 84 jaar lang onschuldig geachte kus.

Ik had het niet zien aankomen. Als Sneeuwwitje al aangeklaagd zou worden, dan had ik dat eerder verwacht omwille van het promoten van een lui, lamlendig leven (vanaf een gegeven moment doet ze niets anders meer dan slapen) of voor het nastreven van onbereikbare schoonheidsidealen (heb je die onnatuurlijke rode lippen al eens goed bekeken?). Het had ook gekund dat de aanklagers voorvechters van een of andere vorm van feminisme waren geweest: doe het maar eens zo helemaal in je eentje en zonder steun dag in dag uit zorgen voor 7 dwergen… om nog maar te zwijgen over haar opgesteven, onkreukbare schouderpofjes, die krijg je alleen maar zo door onder dwang schabouwelijk veel te hebben staan strijken. Maar neen, Sneeuwwitje moest op het schavot omwille van De Kus.

De enige manier om de ophef rond die verfoeilijke daad weer ongedaan te maken is dat ze bij Disney naar buiten zouden komen met een verklaring dat de prins in feite transgender is. Die liggen vandaag zo goed in de mediatieke markt dat alle heisa als door een toverstokje in handgeklap zou veranderen en Sneeuwwitje alom geprezen als toonbeeld van diversiteit.

Alle gekheid op een toverstokje, ik denk alsmaar vaker dat de slinger te fel is doorgeslagen. Je kan bijna niets meer zeggen of doen of je riskeert iemand zere tenen te trappen. Meer nog, het lijkt wel alsof onze teentjes collectief 21 centimeter langer zijn geworden, waardoor het haast onmogelijk is ze te ontwijken door je mond nog maar half te openen.

Omdat je op sociale media gegarandeerd een groepje gelijkgestemde zielen rond een mening verzameld krijgt, zijn de hoenderhokken waar geen knuppel in werd gegooid ondertussen met uitsterven bedreigd. Omgekeerd, wanneer je niemand wil bruuskeren met wat je zegt, maakt of doet, is het constant op eieren lopen opdat er maar niets bij iemand in het verkeerde keelgat schiet.

Waarom toch worden er zo snel messen getrokken? Hoe zit het met onze tolerantie, met onze openheid en verdraagzaamheid die een sereen en open debat mogelijk moeten maken?

Begrijp me niet verkeerd. Iedereen heeft recht op een eigen mening. En bewegingen als #metoo, woke en Black Lives Matter, om er maar enkelen te noemen, hebben absoluut hun waarde en bestaansrecht. Maar tussen die fenomenen en De Kus zit toch aardig wat afstand, neen? Soms denk ik ‘rustig maar’ of ‘hebben we echt niks beters om ons druk in te maken?’ De vraag rijst over wat het zegt over onze samenleving, onze cultuur dat de gemoederen zo snel verhit raken.

Je ziet het overal. De Kus is gewoon het voorbeeld du jour. Ik denk terug aan de heisa die schrijver Marieke Lucas Rijneveld te beurt viel bij het nieuws dat hen (Rijneveld ziet zichzelf als non-binair) het gedicht zou gaan vertalen dat Amanda Gorman tijdens de inauguratie van Joe Biden de wereld instuurde. Op enkele dagen tijd was de storm op zee zo woelig dat Rijneveld haar bootje naar de kust roeide en voor de opdracht bedankte. De uitgever moest met een publieke schuldbekentenis boete doen. De reden? Rijneveld is wit, Gorman zwart, dus moet het gedicht ook door een zwarte auteur vertaald worden. Een valabel argument, ware het niet dat het team van Gorman zelf had instemd met de keuze voor Rijneveld. Dat deed er niet toe. Vreemd, toch?

Rond diezelfde periode enkele maanden geleden las ik een artikel over een onderzoeker die samen met nog een man een boek had geschreven over de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en in het werk de vaak secundaire positie van de vrouw tegenover de man wetenschappelijk benaderde en ook onderschreef. Vraagt de journalist(e, maar dat doet er eigenlijk niet toe) op het einde van het interview of het niet ironisch is ‘dat een boek dat de waarheid over de vrouw probeert bloot te leggen, geschreven is door twee mannen’. Komaan. Gelukkig antwoordt de onderzoeker dat het net een punt van gelijkheid is dat het werk ook door twee mannen kan geschreven zijn.

Het is goed mogelijk dat ik gelijkaardige vraag voorgeschoteld krijg bij het verschijnen van mijn volgende graphic novel. Die draait sterk rond de thema’s van vrouwelijkheid en ontluikende seksualiteit en is geschreven en getekend door respectievelijk een man en een man. Oei. Gelukkig kan ik in de strijd werpen dat de uitgever en de redacteur die het verhaal aanvaard en begeleid hebben allebei vrouwen zijn.

Rustiger vaarwater is ongemeen slecht voor de clickbait, maar ik snak er zo naar. De slinger mag terugkomen, wat mij betreft. Tot de zee wat is gaan liggen, kijk ik nog eens naar De Leeuwenkoning. Ik blijf het ongemeen wreed vinden hoe de ene broer de andere koelbloedig afmaakt, maar daar heeft nog geen haan naar gekraaid. En er wordt niet in gekust.

Zandloper

Het is de dag na Hemelvaart en ik heb zin in een klein beetje reizen. De trein brengt me naar Knokke. Ik wilde naar een plaats die nog wat onbekendheid in zich droeg – ik was hiervoor nog maar één keer in Knokke geweest, een zeer vage herinnering is al wat rest. Ik heb niets mee, behalve een boek, boterhammen, water en wat fruit. Het weer – veel wind en een paar magere zonnestralen – schreeuwt niet meteen om toeristen, maar ik ben overduidelijk niet de enige met het idee om eropuit te trekken.

De massa marcheert op de stenen van de dijk, het strand zelf lokt weinig wandelaars. Ik weet meteen waar naartoe: naar het natte zand, met verder alleen de wind om me heen. In de buurt van een golfbreker blijf ik even staan om aan te komen, mijn hoofd met kust te vullen. De golven strijken zich langzaam uit als een tafelkleed over een veel te grote tafel dat telkens weer opgeschud wordt in de hoop ooit eens goed te vallen. Na een tiental minuten zet ik de pas erin, het water langs stuurboord, richting Duinbergen. In de verte rijzen de kranen van de haven van Zeebrugge op; ze hebben het al lang opgegeven idyllisch te proberen wezen.

Na een half uurtje wandelen vlij ik me neer tegen een wit strandhuisje dat de weinig vergezochte naam ‘Meeuw’ heeft meegekregen. Schuin tegenover mij doet een oma met haar kleindochter hetzelfde. Het meisje speelt met het zand, de oma slurpt van een thermos koffie, ik lees verder in mijn boek, De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Door de twee rijen hokjes zijn we met ons drieën volledig uit de wind gezet. Binnenkort zullen ze weer open mogen, de strandcabines, mogen ze hun opgeslagen stukjes zomer met mondjesmaat lossen en vervangen door nieuwe.

‘Het is goed om te dromen over plekken waar je ooit naartoe wil.’ zegt de hoofdpersoon in het boek. Ik denk aan hoe ik dat vroeger ook deed, op mijn wereldbol kijken naar exotische plaatsen als Aruba en Jamaïca omdat de Beach Boys daarover zongen in Cocktail of naar Egypte, het rijk der farao’s, Brazilië, waar de grootste voetballers woonden, de grootsheid van Rusland, de VS of China. De kleinheid van België probeerde ik te ontwijken. Je kijkt op een wereldbol naar meer dan landen alleen.

Mijn oudste zoon heeft sinds twee kerstmissen geleden ook een bol op zijn kamer staan. De zijne geeft licht, maar hij steekt hem zelden aan. Ik heb hem nog nooit gevraagd waar hij naar zoekt. Met bestemmingen is hij nog niet bezig, behalve Italië. Daar wil hij graag met het vliegtuig naartoe. Hij heeft nog nooit gevlogen. Misschien ziet hij die belofte wel vervat in zijn opgebolde wereld.

Enkele hoofdstukken later wandel ik verder, de zon priemt wat stralen door het wolkendek. Ik vind een klein plekje op de dijk omzoomd met windschermen die de tocht zoveel mogelijk buiten en de zonnestralen zoveel mogelijk vast moeten houden. Ik bestel een thee en duik terug tussen de letters.

‘Het is twee keer draaien,’ instrueert de bevallige dienster me wanneer ze de thee neerzet op mijn tafeltje. Naast de tas staat een brede zandloper gevuld met gouden korreltjes. Wanneer het zakje in het water gaat, weet ik wat me te doen staat. De korreltjes beseffen niet wat voor kostbaars ze in zich dragen, ook al zijn ze van goud.

Ik ben vandaag ook een zandloper, maar dan een losgekomen van de tijd. Ik ben nauwelijks met de tijd mee bezig, enkel met er zijn. Op de terugweg op de trein ben ik het nog minder, al zal ik in totaal even lang onderweg geweest zijn dan dat ik aan de kust was. Het kan me niet schelen, het is net daarom dat ik het doe. Wie onderweg is, zweeft langs de tijd heen.

‘Ooit wil ik naar mezelf toe.’ vervolgde het stukje dat ik met mijn rug tegen het strandhokje las. Laat mij nu nog maar even onderweg zijn.

Skateboard op kerkhof

Ik moet even uitwaaien. Ik stap de wagen in en begin te rijden, een boswandeling lonkt. Wanneer ik op de splitsing kom waar ik voor het bos naar rechts moet, beslis ik toch om linksaf te draaien, richting Leuven. Het is 1 mei, dag van de arbeid, dus in de stad valt nog minder te beleven dan door het virus al het geval is. Maar daar rij ik ook niet heen. Op de baan naar Leuven ligt het kerkhof waar mijn grootouders begraven liggen. Daar wil ik naartoe.

Het is de eerste keer dat ik er kom sinds mijn grootvader is overleden, ruim drie jaar geleden. De parking van de begraafplaats staat voor een derde vol, ik ben bang een dienst te zullen verstoren met mijn aanwezigheid. Het kerkhof zelf blijkt zo leeg als wat. Ik vraag me af wat die wagens er dan te zoeken hebben, op deze plaats die een stukje buiten het leven valt, een plaats van zijn en niet zijn, die zich onttrekt aan het tollen van de dag.

Ik trek de hoofdader van het kerkhof op, honderd meter verder links ligt de strooiweide. Plots duikt er uit een van de inhammen een gezin op, man en vrouw voorop, enkele meters later gevolgd door een meisje op een fluoblauw skateboard en haar kleinere broertje erlangs. Het zijn de enige mensen die ik het komende half uur zal zien. Het skateboard kraakt op de stenen en hapert wat. Het meisje stapt af en legt weer aan. Ze lijken zich niet van de omgeving bewust, alsof het kerkhof een doordeweeks onderdeel is op hun pad van punt a naar punt b.

De strooiweide is een klein aangelegd heuveltje van een kleine meter hoog dat afloopt naar een haag. Mijn ogen gaan haast automatisch naar de zwarte steunmuur waarop de heuvel rust en waarin alle namen staan gegrift van mensen die hier sinds de opening van de begraafplaats aan het begin van de eeuw  hun laatste rust hebben gevonden.

2006, eerste kolom. Daar staat de naam van mijn grootmoeder, tussen de twee namen waar ik hem sindsdien altijd tussen heb gelezen. Ik heb nooit de moeite gedaan ze te onthouden. Mijn blik schuift mee naar rechts, mee met de jaren. De tijd staat hier wit op zwart in steen gebeiteld. Ik lees lukraak wat namen van mensen die ik niet ken, namen van oude mensen, namen die ooit maar nu niet meer aan kinderen worden gegeven, maar ook namen die te jong klinken om van een eeuwenoud kind te zijn. Bjorn. Annelies.

Oud of jong, vrouw of man, alle namen hebben een ding gemeen: ze hebben stuk voor stuk voor mensen een wereld betekend. Voor de lezer die hen niet kent, zijn het gewoon lettertekens die weinig gevoel oproepen. Gedeeld verdriet reikt maar zo ver. Ik denk aan een anekdote die ik ooit las van schrijver Marnix Peeters, die in kerkhoven op zoek ging naar combinaties van voor- en familienamen om op zijn personages te kleven. De dood heeft op onmiskenbaar veel manieren een hand in het leven.

De rij namen stopt ergens in 2016, een jaar te vroeg. Ik ga kijken om de hoek van het heuveltje, waar de zwarte stenen doorlopen, maar het zwart is er zwart gebleven. Pas dan zie ik naast mij twee vederlichte metalen constructies staan, met daarin doorzichtige plaatjes met eveneens witte letters op, dit keer niet gegraveerd maar gekleefd, alsof er twee types overledenen zijn: van marmer en plastiek, dood die zwaar maakt en dood die voor verlichting zorgt. De naam van mijn grootvader staat op het bovenste plaatje, op plaats negentien. Ik kijk naar omhoog en gooi een knipoog naar de wolken, zoals ik weleens vaker doe. Wanneer ik een lied hoor dat met een van hen verbonden is of ik gewoon aan hen denk. Ik blijf het doen, al weet ik niet of ze hem somewhere over the rainbow opvangen en in welke vorm dat dan is.

Ik hoor gezoem, een bij laaft zich aan een van de verse bloemstukjes die op de heuvelrand zijn neergezet. Van in de bomen rondom klinkt gekwetter van vogels. Sommige bomen dragen een vogelhuisje hoog aan de stam. Men wil hier bewust leven aantrekken, om te zeggen dat de muziek nooit stopt.

Wanneer ik de heuvel omsla, klaar om terug te wandelen, tel ik tot waar ik kan zien elf strooisels as, wachtend op de wind, het heengaan nog te vers om al in kleefletters te zijn gezet. Er gaat een vorm van beroering door mij heen, in mijn binnenste knik ik als een groet, om wat deze niet-meer mensen voor hun naasten hebben betekend. Het beeld van hoe de begrafenisondernemer drie jaar en een handvol maanden geleden de as van mijn grootvader uitstrooide komt me voor de geest. Men legt de assen niet op een hoopje, men spreidt ze uit. Ik weet niet of dat is om ze langer hier te houden, dat de wind er niet meteen mee weg is. Ik denk aan hoe ik, wanneer we hier een klein half leven geleden voor mijn grootmoeder stonden, pas als laatste vertrok en haast gedwongen mijn vinger even in haar as drukte, hoe banaal koud dat voelde, hoe een kleurrijk leven voor altijd grijs was geworden.

Uitgewaaid wandel ik weer over de hoofdader naar waar ik van kom. Op de terugweg zie ik alleen maar zwarte vogels vliegen en trippelen, alsof het erom gedaan is, dat alleen zwart recht heeft op dit domein. Deze keer geen mens meer te zien, het skateboard is al lang verdwenen. Misschien ontlokt het vandaag nog wel bloed, onder de vorm van een geschaafde elleboog of knie, een teken van leven dat stroomt.