Marcheerorder 21

vanavond blazen we uit
wat morgen opnieuw begint
we zijn er
nog niet

                                        maar toch VOORUIT

nog even     b i j n a
gelijkgeschakeld met nog langer
de rek op de maat stil
aan uit

                                                             toch VOORUIT

we rijden verder in neutraal
we rijden
wel

                                                                          VOORUIT

we blazen onze adem drentelt
vooruit de wereld morgen wacht
achter een aangedampte voorruit

                                                                          toch

De tijd gaat er nooit helemaal op vooruit

Zo af en toe valt er eens een mail van ’s lands bekendste immowebsite in mijn mailbox. Het gebeurt gemiddeld een à twee keer per maand, wanneer er een huis is aangeboden dat in mijn fijnmazige selectiefilter – budget en locatie – is blijven hangen. Voor mocht er ooit eens iets op het pad komen; ik koester geen actieve verhuisplannen.

Drie weken geleden was het nog eens prijs.

Het huis bevond zich raar maar waar in dezelfde straat als het huis waar ik van mijn vijfde tot mijn vijftiende heb gewoond, een tienjarige eeuwigheid die het leven tussen kleuter- en pubertijd kleurt. De tijd waarin je eerst op kleurboeken aangewezen bent omdat je je eigen leven nog niet kan inkleuren, om er vervolgens mee te stoppen wanneer je de dagen eindelijk zelf van rood, geel en blauw kan voorzien.

Nog raar maar waarder: beide huizen hadden meer dan enkel hun straat gemeen: de muren bleken allebei wit, afgetopt door een zwart dak. Twee woningen van geen kleuren die slechts door ettelijke honderden meters van elkaar gescheiden zijn. Huis A en Huis B.

Huis A is het eerste ouderlijke huis waar ik nog meer dan één levendige herinnering aan heb, al was het reeds de vierde locatie waar ik in mijn (neus)peuterende leven mijn dromende hoofd aan de nacht toevertrouwde.
Wat Huis B zou worden, daar had ik op dat moment het raden naar.

De nachten in Huis A waren anders dan ik ze tot dan toe kende. Ze waren dieper, de omgeving groener, de stilte echter. Het was de woning het verst weg van de grote stad waarin ik tot dan gewoond had – en die toen ik er voor mijn studies naar terugkeerde slechts een zakdoek groot bleek te zijn. De nachten waren er donkerder ook, net als de grote kelder onder het huis, hoewel ook daar de muren honderd procent wit bekleed waren. Maar wit in het donker is evengoed zwart, zeker wanneer in je fantasie de weerwolf uit Merlina zijn onderkomen in de kelder heeft genomen.

Om in Huis A de kelder te bereiken, moest je de keuken door. Links achteraan bevond zich een deur die uitgaf op de vaatwasmachine aan de ene en het schoenenrek aan de andere kant. Frisse en muffe geuren zullen er met een ongeziene gemakzucht in elkaar overgevloeid zijn, maar ik was enkel bezig met het zwarte gat dat zich recht voor mijn neus bevond. Het was er een van het soort zoals ze er in de ruimte maken: eens ze je in het vizier hebben, is er geen ontkomen meer aan. Het keldergat bleef onderaan donker zelfs wanneer je de verlichting bovenaan de trap aanstak.

Omdat er geen manier was om de hele kelder ineens te verlichten, bleef de spanning constant te snijden. Bij elke lamp die je aanknipte, staarde een nieuw zwart gat je meedogenloos aan. Mijn moeder was in die tijd een verwoed kijker van Mooi en Meedogenloos, dus ik wist maar al te goed wat dat betekende. Bij iedere afdaling was ik er rotsvast van overtuigd dat het licht aan het eind van de tunnel een huichelachtig concept was. De kelder was bovendien altijd vochtig, de kilte ervan enkel aangenaam tijdens de zeldzame hittegolven die de Vlaamse zomers toen arm waren.

Een schier oneindige aaneenschakeling van zwarte gaten was op zich al erg genoeg, maar in onze kelder hield het meest meedogenloze creatuur zich schuil in een van de verste uiteindes van het ondergrondse gangenstelsel. De weerwolf. Sally Spectra, die met haar omhooggevallen roodharige kapsel en die de plannen van de Forresters elke namiddag schoontjes dwarsboomde, was er klein bier tegen.

De weerwolf bestond. Ik had het op televisie gezien. En nu woonde hij in onze kelder. Ik was er zeker van.

Ik wist niet hoe, maar het huilende monster had zijn onderkomen gevonden in de smalle ruimte waar de diepvries en de breimachine van mijn moeder stonden. Een zak diepvrieserwten uit de krochten van de onderwereld halen was waarlijk een beproeving. De ‘tot volgende week, bij leven en welzijn’ waarover wijlen Jos Ghysen in die tijd sprak? Niet meer voor mij weggelegd. De blinkende benen van Aurore in Rad van Fortuin, de heerlijk hese stemgeluiden van Bea Van der Maat uit Tien om te Zien, ik zou ze nimmer zien of horen. Er was ook geen lying of cheating aan; ik kon moeilijk zonder diepvriesgroenten op het appèl verschijnen.

Gelukkig waren er wel etenswaren die ik stilletjes aan zonder veel stress ontgonnen kreeg. Een blik perziken op sap bijvoorbeeld: de opbergruimte voor droge voeding bevond zich vlakbij het uiteinde van de trap. Het enige wat me te doen stond op zo’n missie was snel naar beneden gaan, vooral niet naar links kijken, het donker in, maar grijpen wat nodig was en de trap weer op klimmen.

Bij elke stap opwaarts richting keukendeur raakte ik ervan doordrongen dat het licht aan het eind van de tunnel dan toch bestond. Iedere keer ik opnieuw door het zwarte gat moest, was ik dat raar maar waar alweer vergeten, als een halfbakken vrome discipel die het aanschijn van Christus telkens weer moest kunnen aanschouwen om zijn geloof levend te houden. (Hoezeer mijn geloof bij diepvriesopdrachten ook op de proef werd gesteld,  gevloekt heb ik bij mijn weten nooit. Zo vroom was ik wel.)

Toen ik vorige week een exemplaar van Inbreker ging overhandigen bij een vriend die nu in de buurt woont van waar ik opgroeide, besloot ik een klein omwegje te maken om te kijken hoe Huis B er in het echt uitzag. Ik wist waar het ergens lag, maar kon het me niet voor de geest halen. Huis B bevond zich in een deel van de straat waar ik haast nooit kwam, voorbij een van de denkbeeldige grenzen die een kinderwereld rijk is. Toen ik het immobordje aan de overkant van de weg zag opduiken, vertraagde ik. Huis B stond te koop achter een lage omheining van stenen in metalen bekistingen die men in de tijd van Aurore en Bea nog niet kende.

Omdat de straat zo aangelegd is, moest ik na het passeren van Huis B sowieso langs Huis A. In de twintig jaar dat ik er weg ben – op mijn vijftiende zijn we in vogelvlucht een kilometer verderop gaan wonen – ben ik er een handvol keer voorbijgereden. Me elke keer weer verbazend over de echte proporties van de tuin en de haag waar mijn broer en ik zo vaak afgleden. De ene keer hij de kat en ik de muis, maar vaker niet iets andersom. Een van de privileges van de oudste te zijn.

De laatste keer dat ik er voorbijgereden was, stond de overbuur uit mijn jeugd zijn voortuin te harken. Onze blikken kruisten, hij was zichtbaar senior geworden, droeg een pet zoals ook mijn opa er altijd een droeg. Ik herkende hem nog. Hij mij niet, denk ik. Ik wist dat ik hem kon verwachten, hij had natuurlijk geen idee – in zijn hoofd paste ik niet achter het stuur van een wagen.

Terug naar nu. Al voor ik Huis A zelf kon zien, zag ik dat er een grijze Mercedes op de oprit stond. Wij reden met een occasiewagen, een rode Volkswagen Passat. We trokken er mee naar Spanje, soms op skivakantie ook. Later kwam er een bruine Golf bij. Ook occasie. Ze raakten net samen in de garage als we slim parkeerden.

De Mercedes blonk in al zijn antracietheid; de tijd was erop vooruit gegaan, zo leek het. Dan zag ik dat de garagepoort open stond en keek ik recht op het begin van de keldermuur die naar de diepvries en de breimachine leidde. Ik vroeg me af welke toestellen er nu geparkeerd stonden, wat er binnen nog allemaal veranderd is. De muur was nog even wit. In mijn buik roerden de klauwen van de weerwolf zich.

Enkele dagen later bij het scrollen door mijn mailbox verwees ik de melding van de immosite naar de prullenbak en Huis B naar de voltooid toekomstige tijd. Een mensenleven kan maar één onvoltooid verleden tellen.

Witte harten

ze blijven leeg nu de ramen waar een zucht
geleden tafelkleden en lakens over helden
collectieve riempjes die hun weg baanden
doorheen de lucht naar de witte harten
waar ze onder zouden gaan steken

onderweg kruisten ze de vijand
niet met ons en #samenerdoor
beten ze de tanden
wit



ze blijven leeg nu de ramen
de tafelkleden en lakens her en der
met schaamrood bevlekt op stal
maar de witte harten kloppen
nog steeds
gelukkig maar
niet met ons fluisteren ze
#wijgaanervoor

Hoogslaper

“Kom je nog eens bij me liggen?” vraagt mijn zoon van zeven. Hij zit in een periode waarin het slapengaan moeilijker gaat. Waarin antimonstersprays en -spreuken zijn kamer tot een ondoordringbaar vacuüm moeten trekken voor nachtelijk onheil. Als dat niet werkt, is er nog altijd het grote bed. Maar vanavond niet.

Sinds dit schooljaar is 20:45 het afgesproken slaapuur. Nu de herfst is aangebroken, bestaat het avondritueel uit drie vaste elementen naast het tanden poetsen en een laatste plasje, elementen die ook voor grote broer gelden.
Aan die Heilige Drievuldigheid herinnert kleine broer me elke avond omstreeks 20:50 met dezelfde vraag op hetzelfde moment – nadat hij in zijn hoogslaper is geklauterd en zich onder het donsdeken heeft genesteld:
“Pap, kan je drie dingen voor mij doen?”
“Wat?” zeg ik dan, alsof het spiekbriefje met het antwoord op ergens in de voorbije 24 uur op straat uit mijn zak is gevallen, met de wind en de regen naar een duikertje gevoerd.
“Drinkbus vullen. Kersenpitkussen warm maken. En over mijn rug wrijven.” Hij spaart onbewust de lidwoorden uit om het meer als een gebod dan als een verzoek te laten klinken, pauzeert even na de ‘en’ om de spanning erin te houden. We weten allebei dat die gespeeld is.

Ik doe wat van mij gevraagd wordt en ga daarna in de kamer ernaast slaapwel zeggen. De klok schurkt zich tegen 21:00 aan, het magische getal waarvan ik weet dat dan – op goeie dagen – de tijd voor mezelf is aangebroken. Dan realiseert grote broer zich dat hij een woordenschatoefening vergeten te leren is. Voor alles is een eerste keer. Mijn ik-tijd komt nog wel.
“Leer ze nu nog maar snel,” zeg ik. “Ik vraag ze daarna wel even op.”
“Echt?”
“Wat je leert voor je gaat slapen zit er de volgende dag beter in.” Ik haal het handboek uit zijn rugzak en bedenk hoe ik tijdens mijn studies op één uitzondering na nooit tot in de nacht heb gestudeerd. Europese Letterkunde, een aannemelijke 14. Als ouder geef je volautomatisch je eigen wijsheden aan je kinderen door. Maar voor Dostojewski’s Misdaad en Straf zijn ze nu nog te jong.
Bij grote broer blijken de lidwoorden wel van tel. De organisator. Lassen. De zeppelin. De bezemwagen. In de aanpalende kamer zou bij dat laatste woord vast aan heksen worden gedacht.
“De kunststof,” vraag ik in het midden van de oefening een tweede keer om te kijken of hij het goed onthouden heeft.
“Kunststof is een materiaal dat door mensen is gemaakt. Zoals plastic, niet zoals hout bijvoorbeeld, dat is een natuurlijk materiaal.” Goed zo.
Tegen de tijd dat de drie bladzijden er zo goed als in zitten, geeft de wekker in de grotebroerkamer aan dat we al half voorbij het gezegende uur zijn.
“Morgenvroeg na het ontbijt herhalen we nog wel een keer,” stel ik hem gerust. Hij is beter in rekenen dan in taal. “Slaapwel.”

Ik knip het licht op de gang uit en wandel naar de trap. Mijn ik-tijd is aangebroken. Moonglow wacht vurig op mijn komst.

“Pap?”
Kleine broer slaapt nog niet. Ook zonder klok weet ik hoe laat het is.
“Kom je nog eens bij me liggen?”  
“Het is echt slapenstijd.”
“Alsjeblieft?” Door het zachte verzoek schemert de onrust.
Ik klauter de hoogslaper op en voel in mijn heupen hoe dat als kind toch vlotter ging, heb geen verrekijker meer nodig om de middelbare leeftijd in de lucht te zien. Ik zeg er niets over. In tegenstelling tot wijsheden, deel je je doembeelden beter niet met je kinderen.
Mijn hand glijdt over kleine broers rug, dan over zijn middel. In deze kamer staat geen klok, ik nestel me in het moment. Ik lig nog maar net stil of hij draait zich om.
“Papa?”
“Ja?”
“Wat is je grootste angst?”
Heel even vraag ik me af wat ik moet antwoorden. De eerlijkheid wint.
“Dezelfde als die van jou.”
Ik zie eerst de twijfel en dan de hoop op gedeelde schrik in zijn ogen. Hij weet het antwoord, maar ik spel het zacht om het minder hard te laten binnenkomen.
“D.o.o.d.” zeg ik en teken de letters in de lucht terwijl ik ze uitspreek.
“Doodgaan?”
“Ja. Wij zijn voor hetzelfde het meest bang.”
Hij kijkt me nog een seconde aan. Ik zie dat er een vorm van geruststelling in hem neerdaalt. De eerlijkheid heeft gewonnen.
“Weet je hoe je kan weten dat iets met een ‘t’ of een ‘d’ is?” zegt hij dan.
“Door het te zeggen. Dood is met een d.” Ik leg de nadruk op het einde om mijn punt duidelijk te maken. We kunnen de dingen onmogelijk nog zwaarder maken.
“Fout.” Zijn gebiedende wijs steekt weer de kop op. “Door het woord langer te maken. Zoals ‘hoort’ en ‘hoorde’.” Hij tekent een ‘t’ en een ‘d’ in de lucht. Ergens in het monsterloze vacuüm kruisen onze zwevende woorden elkaar. Ze trekken zich er niets van aan dat hij de concepten van verleden en tegenwoordige tijd nog niet helemaal beet heeft. In zijn hoofd is de tijd nog een onontwarbaar kluwen dat zich op vreemde manieren ontplooit, geen roetsjbaan waarop ook de middelbare leeftijd hoogstens een bluts onderweg is.
Hij draait zich om. Ik knuffel hem harder dan daarnet, bedenk hoe we hier in een gelaste hoogslaper liggen en uit hetzelfde hout gesneden zijn. We bestaan uit hetzelfde natuurlijke materiaal.
Het is waar. Daarom begon op die leeftijd mijn fascinatie voor superhelden en houdt hij nu zo van Harry Potter. We hebben die vorm van magie, van innerlijke betovering nodig om ons van de grond los te maken, ons boven het gewone uit te tillen. In onze gedachten kunnen we allebei vliegen, denk ik, ook al heb ik het hem nog nooit gevraagd. Ergens zou het mooi zijn. Dan delen we naast onze grootste angst ook onze grootste wens. Ja, ik weet het zeker nu, in onze hoofden vervalt de dertig jaar die tussen ons in zit in het niets. Zo is het.
Ik kijk naar dezelfde blonde lokken die ook ik ooit had. Hij mag ze van de tijd al vijf jaar langer houden dan ik. We hebben het klaargespeeld: onze angst voor de dood in stilte versmacht, het leven samen uitgerekt. Minstens voor één extra nacht.
“Ik vond het fijn om naast je te liggen”, zeg ik na wat ik denk een paar minuten is en wring mijn benen weer in bochten waarvoor ze niet meer gemaakt zijn.
“Ik ook.”
“Tot morgen.”

Aangekomen in de woonkamer kijk ik niet naar de klok. Het is de dag van de eedaflegging van de nieuwe regering. Ik kijk uitgesteld naar De Afspraak en zie hoe al die nieuwe ministers ook spiekbriefjes nodig hebben, vraag me af waar die na hun bezoek aan het paleis belanden. Samen met mijn zoon zou ik vanavond ook een eed willen afleggen, een dat we samen nooit meer bang zullen zijn voor de d.o.o.d.

Wanneer Bart Schols heeft afgesloten, pik ik eveneens in uitgesteld relais nog een stuk van Beste Zangers mee, de Nederlandse Liefde Voor Muziek, met vandaag Stef Bos in het middelpunt. Een van de andere muzikanten brengt een eigen versie van zijn beste lied uit de afgelopen jaren, Later als ik dood ben.

Ik verslik me in de synchroniciteit en verstop me in het dichtstbijzijnde kussen. De strofen vallen over mij als de nevel van een dromend kind in een hoogslaper.

Later als ik dood ben wil ik de vader worden
Die ik door mijn onvermogen nooit heb kunnen zijn

Lichtdoorgever… wegbereider en een engel op een schouder

Een vader die er altijd is ook als hij verdwijnt

Later als ik dood ben wil ik met jou dansen
Zonder dat je weet dat ik jou in mijn armen hou

Mijlpalen en dansende heupen

Er is een periode in je leven waarin je de ene na de andere mijlpaal in de grond poot alsof het niks is. De aarde onder je voeten is nog lekker mals. Je hoeft gewoon met een paaltje aan komen zetten en het leem slikt het als Hollebolle Gijs papier in de Efteling: gaarne en met ontzettend veel goesting. “Mijlpaal hier!” en hop, weer eentje afgecheckt.

Tussen je 18e en je 25e – ik rek het bewust wat uit voor Erasmus- en andere luierende studenten – zijn het er nogal wat: het einde van de middelbare school en de poort naar zelfstandigheid die echt open gaat, het inleveren van je thesis, het behalen van je diploma, je eerste echte job, je eerste echte serieuze relatie, de eerste keer echt alleen wonen.

Mijlpalen maken de dingen nogal wat echter, geleidelijk aan wordt het leem harder van ze aan te stampen. Meer houvast, minder flexibiliteit. Maar zoals Frank Sinatra al wist, You can’t have one without the other.

Alvorens volledig in melancholisch gezwijm te vervallen – naar het einde volgt een tweede poging – terug naar de essentie: de mijlpalen.

Sommige herinneringen eraan dreigen geruisloos voorbij te sluipen tot het toeval aan je mouw komt trekken. Tip: wanneer het over het jubileum van het boek gaat waar je je thesis over geschreven hebt, kan je het toeval een handje helpen door de auteur van dat boek op Instagram te volgen.

Zo ontdekte ik dat het deze maand exact twintig jaar geleden is dat Michael Chabons The Amazing Adventures of Kalavier & Clay voor het eerst verscheen.

Het boek werd me tijdens mijn studies Germaanse Talen aanbevolen door een docente Engelse Taalbeheersing wiens naam ik nu vergeten ben. Over haar weet ik enkel nog dat ze vaak zwart droeg, stijfjes vasthield aan de formalistische structuur van een zakelijke tekst waardoor ik mij van mijn sterielste kant moest laten zien om punten te sprokkelen en dat een van mijn studiegenoten met initialen R.K. (je weet nooit wie hier meeleest) haar niet bepaald onknap vond.

Van de vorige zin zou ze het ongetwijfeld danig op de heupen hebben gekregen, maar als ze ondertussen van Gary Provost’s adagio Don’t just write words, write music gehoord heeft, dan kan ik alleen maar hopen dat er 17 jaar na datum toch enige dansbaarheid in dat zwartomfloerste bekken is geslopen.

R.K. zal er weinig aan hebben, want via Facebook weet ik dat hij voor een ander stel heupen gekozen heeft en dat er daar ondertussen ook kinderen uit zijn voortgekomen.

Cover van de originele editie van Kavalier & Clay uit 2001.

De titel doet het al vermoeden, Kavalier & Clay is geen alledaagse roman. Het boek volgt namelijk het leven van twee jongemannen met een droom: de Amerikaanse cultuur een nieuwe, populaire superheld schenken. En laat superhero comics, en strips tout court, nu niet bepaald het meest literair gefêteerde gegeven zijn. Chabon zelf werd in schrijverskringen haast verguisd omwille van zijn onderwerpkeuze.

En ik merk het zelf ook: heel wat mensen vinden het wel knap dat ik strips schrijf, maar wanneer ik zeg dat ik daarnaast ook aan een poëziebundel en een roman werk, voel je dat de validatie (niet zelden onder de vorm van een ‘oh amai’) van je creatief werk toch vooral door die laatste vormen komt.

In 2001, een goed jaar na de publicatie, hadden criticasters al gedaan met lachen. Chabon won met zijn vuistdikke turf de Pulitzer Prize, een effectief amazing gegeven als je bedenkt dat mensen met capes en speciale gaven pas enkele jaren aan hun steile opmars door Hollywood en de internationale pop culture zouden beginnen.

Ook voor mij was Kavalier & Clay een godsgeschenk. Toen de voornoemde docente me het boek halverwege mijn Tweede Kandidatuur tipte – we moesten een spreekbeurt geven over een van onze passies en ik koos comics – deed ik er aanvankelijk niets mee. Maar dan werd het tijd om mijn thesisonderwerp te kiezen. Ik vond niet meteen een begeesterend onderwerp tussen de lijst die op de valven uithing. Klein beetje paniek, maar een eigen voorstel indienen kon ook. Toevallig had mijn (ondertussen) professor (emeritus) Amerikaanse Letterkunde rond die tijd beslist om het specialisatievak van Amerikaanse Literatuur tijdens de Licenties in te vullen met de bespreking van de 10 meest recente Pulitzerwinners. Waaronder dus Kavalier & Clay.

Mijn voorstel om te analyseren hoe Chabon feit en fictie met elkaar verweef – het leven van Sam Clay en Joe Kavalier vertoont grote gelijkenissen met dat van Supermanbedenkers Jerry Siegel en Joe Shuster – en tegelijk de culturele impact van het stripverhaal vanaf de jaren ’30 te schetsen werd aanvaard. Een thesis met comics als rode draad? When you can have the one, who needs the other?

Het duurde niet lang voor ik hetzelfde gehoon over me heen kreeg dat Chabon ook had moeten aanhoren. De professor Poëzie- en Verhaalanalyse probeerde mij en mijn medeschrijver na een puike paper over De Modderen Man (een dichtbundel van Karel van de Woestijne) te overhalen om onze thesis bij hem te gaan doen. Bij het vernemen dat we respectievelijk iets over moppen in de volkskunde en strips in de Amerikaanse cultuur zouden doen, bliksemde hij ons van onze stoel met de uitspraak, “Hoe is het mogelijk dat mensen die zo goed poëzie kunnen analyseren zo’n dwaze thesisonderwerpen kiezen?”

Ik denk even vaak aan zijn woorden terug als, veronderstel ik, R.K. aan de zwartomfloerste heupen: betrekkelijk weinig maar met een beheerst lachje waarin weemoed nooit ver weg is. Zoals beloofd, ziedaar de melancholie.

Sinds het indienen van mijn thesis heb ik niets meer van Chabon gelezen, tot ik enkele weken geleden in zijn meest recente roman, Moonglow, begon. Alsof het twintigjarige bestaan van het boek nog voor ik ervan wist mij terug tot de auteur riep. Misschien zat het toeval er helemaal voor niets tussen. Vanaf de eerste pagina’s werd ik meteen weer verliefd op de zwierige manier van vertellen, de tongue-in-cheek hoogdravendheid, het onderbreken van een dialoog met anderhalve pagina uitweiding om vervolgens de conversatie verder te zetten alsof er niets gebeurd is.

En omdat Chabon nog steeds een auteur blijkt die graag zijn immense vocabularium etaleert, zit ik nu, net als toen, met een woordenboek naast me om ongekende Engelse termen voor me te verklaren. Woorden als bluster, covetous, acuity. Een half leven geleden, als Germanist in wording, deed ik het met een Van Dale naast me, vandaag met Google Translate op de smartphone. Blijvend capteren wat de woorden allemaal betekenen lukt iets minder goed dan toen. Ik weiger vooralsnog te geloven dat het komt doordat de jaren mijn geest minder flexibel hebben gemaakt, maar omdat ik meer aan en in mijn hoofd heb.

Ik ga naar mijn boekenkast en neem Kavalier & Clay bij de rug op de plank waar het exemplaar al een decennium amazing staat te wezen. Ik klap het open en lach, zonder aan heupen te denken. In de zee van trivialiteiten en alledaagsheden zie ik de mijlpalen plots wat beter staan.

Blinddoek

verzen verzen
een betekenis die niet
in woorden zit
een betekenis    die niet
maar erbuiten valt   

            / bloesems

hijgend openvijzen op een werktafel
leggen weigeren ze weer in elkaar te zetten
daarom niet uit koppigheid maar
omdat het niet meer kan

ik wrijf met mijn ogen dan
met mijn handen over glad
verval in strelen nee trekken nnh duwen
van top tot palm over levenslijn

en vraag me af hoe een blinde
gestreken gewrichten leest

Lang

lang

lang

lang

lang

Ah daar ben je.

Dat treft, want ik was naar je op zoek. Al even. Een tijd.
Niet hard hoor. Ook niet koortsig of laaiend. Eerder als een waakvlam.
Die blijven het langst branden, hebben aan adem genoeg.
Waakvlamwachtend heb ik naar je gezocht. Zo was het.
Zo lang dat zoeken wachten kon worden. Haast
ongemerkt.

Hoe lang, vraag je? Wat is lang? Lang is vier letters, beginnend met de el.
Lengtemaat, eetlepel. Ik heb een eetlepel op je gewacht. Zo is het.
Ik heb een eetlepel op je gewacht. Want die smaken altijd naar meer.
Ik heb zo lang op je gewacht dat het wachten zelf naar meer begon te smaken.
Watertandend wachtend, op waakvlamstand.
Als geen ander weet ik hoe speeksel getrokken uit klieren gevuld met hoop over een tong rolt. Een mond beplakt.

Gaan we?

Onze vensters zijn geen ramen meer

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Herman Teirlinck een bijzondere tekst over de wereld die hij zag, kijkend door het venster in zijn woning in Beersel. Het Huis van Herman Teirlinck lanceerde met Bij mijn venster: Schrijven in tijden van corona een oproep naar woordenaars om hem vanuit het heden een brief te schrijven en te formuleren wat we nu zien, hoe onze wereld veranderd is en hoe het ons anno 2020 vergaat.

Converseren over de tijd heen, daar hou ik van. Daarom deed ik eerder mee aan Besmette Stad, de open call van deBuren om in dialoog te gaan met Paul van Ostaijen, en nestelde me ik met veel plezier voor mijn raam in een poging de tijdsgeest te vatten.

Hieronder lees je mijn bijdrage.

***

Beste Herman,

Ik moet bekennen, jouw venster is me vreemd. Ik weet niet wat jij voor je zag wanneer je de ramen opende daar in Beersel, of je eerst gordijnen opzij moest trekken en wie of wat er precies op scène stond. Was het een straat plik plok bevlekt met voor zich uit starende of slenterend keuvelende mensen? Of waren het rijen van bomen die zich niet lieten kennen aan de wind? Ik ben bewust geen foto gaan zoeken – wij kunnen dat vandaag in een vingerknip – omdat het beeld me zou vervuld hebben met een heimwee naar een tijd waar ik uiteindelijk toch niet naar terug wil. Een mens zijn wortels liggen onomkeerbaar verstrengeld in zijn eigen tijdsgewricht. Dat betekent ook dat onze vensters onomkeerbaar anders zijn.

We hebben veel meer vensters dan jij trouwens. Steeds meer van ons, nu, stellen zich openlijk de vraag of dat wel een goede zaak is. Zie je, onze vensters geven altijd licht, maar zelden verlichting. Ze gunnen ons een blik op de ganse wereld, maar je ziet het al van ver komen: zo’n hele wereld past in niemands hoofd, waardoor het opletten geblazen is om niet te struikelen, hoewel onze straten er beter bij liggen dan de jouwe. Over de toestand van de bomen ga ik nu wijselijk zwijgen. Ze zijn in de war, net als wij. Zoekend naar grip, nieuw evenwicht. 

We kijken anders, Herman. Onze vensters maken dat we kunnen binnenkijken in wat er letterlijk nu in pakweg Amerika gebeurt. Maar het had even goed China of Oezbekistan kunnen zijn. We kunnen virtueel rondstaren in het MoMa, clandestien Hollywoodfilms bekijken voor ze de zalen halen en live zien hoe er schoten worden gelost die alles nog meer uit balans slaan. We weten bij benadering hoeveel mensen er precies ziek zijn in vergelijking met gisteren, horen sneller dat iemand in Minnesota onder een politieknie gewurgd werd dan dat onze eigen buurman een week in het ziekenhuis gelegen heeft. Zo ging het toch in mijn geval.

Wie wil kan via zijn venster zien wat ik van die helse knieval vind, maar mijn buurman heb ik nog altijd niet gevraagd naar hoe het met hem gaat. Ik ken zijn naam, weet dat hij vorig jaar een nieuwe wagen heeft gekocht. Op het dashboard voor zijn stuur heeft hij een klein konijntje gezet. Ik heb het raden naar welke herinnering, welk sentiment eraan kleeft, hoewel het elke ochtend vrolijk naar me lacht. De rolluiken aan de achterzijde van zijn woning zijn vaak gesloten. Ik weet niet door welke vensters hij dan kijkt, hoe zijn dagen gaan, wat zijn beeld op de wereld bepaalt. Ik weet het nauwelijks van mezelf. De feiten jagen ons op en wij hollen er steeds meer achter aan. Misschien blijven mijn buurman en ik daarom onbewust uit elkaars buurt, zodat we niet ook nog eens over elkaar kunnen vallen.

Onze vensters openen de wereld, Herman, maar we stappen er alsmaar minder in.

Onze vensters zijn bovendien zo klein en gewiekst dat we ermee kunnen schermen als met degens. Ze geven iedereen een stem, ook wie beter niet zou spreken. Het woord is nog steeds scherper dan het zwaard, maar wapens in verkeerde handen zijn kettingzagen die bomen met de grond gelijk maken. Soms gaat het zo ver dat men zegt dat er bomen zijn, terwijl er nooit een bos heeft gestaan. Geen wonder dat de bomen het zelf ook niet meer weten. We staan al te vaak met getrokken degens tegenover elkaar nog voor er echt iets is gezegd. We schermutselen erop los in de lucht, maar die keren dat we echt voor elkaar staan zijn we onze tanden kwijt. Omdat we het echte spreken verleerd zijn.

Misschien wil ik toch eens komen piepen aan dat venster van jou. Dan kunnen we het over wortels hebben. En evenwicht. Spreken we iets af? Als ik er dan toch ben, wil ik ook graag je buurman ontmoeten.

Tot dan,

Frederik Hautain