ik kijk naar een boom
ik denk geen boom te zien
hoe weet ik of het een boom is
wat ik zie
ik voel schubbige bast
in mijn verbeelding
gaan mijn vingers erdoorheen
en stellen ze vast hoe dit wezen
feilloos de tel bijhoudt
– ik moet bij de les blijven –
de wind wemelt door ons beider kruinen
we drinken allebei even gulzig van de zon
maar dat maakt van dit geen boom
en van mij geen godenkind
ik trek wat groen los van een tak
er gaat een blad door mijn handen
maar geen boom
het is ten dode opgeschreven