Groot geluk in een duister hol

Stripwinkel Het Besloten Land in Leuven bestaat 30 jaar. Een kleine ode is op zijn plaats.

1996. Het was de tijd dat het gat in de ozonlaag belangrijker was dan het broeikaseffect, modems luidkeels door huiskamers kraakten en een week een zee van tijd was waarin je daadwerkelijk kon verdrinken. Gelukkig kon ik al bij al goed zwemmen. Ik was 13 en ik was echt klaar met Suske & Wiske, Jommeke en De Rode Ridder. De toekomst oogde rooskleurig, maar het onheil had me stevig in het vizier. Weldra zou ik overspoeld worden, een weerloze jonge matroos ten prooi aan de lokroep van de sirenes. De schipbreuk was nabij.

Ik heb er nog steeds het raden naar waar mijn stripverslaving haar oorsprong vond. Ik kom uit een gezin van niet-lezers, en toch heeft lezen altijd in mij gezeten. Zodra mijn neus het kon ruiken, zat hij tussen het papier. Boeken? Ook. Maar vooral strips.

In den beginne kwam ik aan mijn trekken in de bibliotheek in thuishaven Aarschot, krantenwinkels en Schoenland, een ter ziele gegane winkelketen waar je bij aankoop van een paar schoenen een gratis strip kreeg. Rond mijn achtste ontdekte ik in de Delhaize in Kessel-Lo, waar mijn grootouders woonden, het bestaan van Junior Press en hun vertalingen van superheldenverhalen uit het verre Amerika.

De jaren nadien bleef ik schipperen tussen spierballengerol, teletijdmachines, gyroneffen en zwaardgevechten, maar het waren gemaskerde weldoeners die aan het langste eind zouden trekken. Eerst in het Nederlands, tot ik in de Leuvense stripwinkel Gobelijn rond Kerstmis 1995 mijn eerste Engelstalige comic kocht. Achteraan rechts voorbij de kassa stond een klein aanbod. Al snel liet ik Junior Press links liggen en schakelde ik over op the real deal. Voor de Suske & Wiske-kenners: ik was een matroos die zijn eigen Kleppende Klipper had gevonden.

En toen begon het relaas van de Grote Verdrinking.

Tijdens een uitje naar Leuven met moeder en grootmoeder belandde ik, zonder dat ik er erg in had, op een plek waar het water me al snel aan de lippen kwam te staan: een nieuwe stripwinkel.

Het contrast met Gobelijn kon niet groter zijn. Hier lag geen parket, hingen geen zachte spots aan de muur en schalde harde, groezelige muziek door de boxen. Ik weet niet wat mijn grootmoeder en moeder dachten, maar ik, ik was helemaal van de kaart: knal in het midden van de winkel bevond zich een oceaan aan comics. Het walhalla waar mijn voormalige ridderlijke held Johan al eens van droomde, bleek echt te bestaan. En als je er eenmaal van hebt geproefd, wil je er telkens weer naartoe. Zo gaat dat nu eenmaal met walhalla’s.

Dus deed ik dat elke week: vrijdagavond onder de wol bij grootmoeder, zaterdagvoormiddag met bus nummer 16 de grootstad Leuven in, waar het duistere hol in de Parijsstraat (ook nummer 16, duidelijkere tekens geeft het lot niet) het geld meedogenloos uit mijn portefeuille zoog. Iets waarover ten huize Hautain in Aarschot menig misbaar werd gemaakt.

Ik had geen schipbreuk maar stripbreuk geleden: ik was zonder meer verslaafd. Ik leefde van zaterdag tot zaterdag, met daartussen die oceaan van tijd, wachtend op mijn wekelijkse comics fix. X-Men, Wolverine, Spider-Man, Wizard Magazine, Batman… ik kon er niet genoeg van krijgen, brak mijn hoofd over manieren om aan meer geld te geraken om alle comics te kopen waar mijn hart zo naar verlangde en zag maar één oplossing: later zelf een stripwinkel openen. Zo erg was het met mij gesteld.

Ik herinner me nog steeds het moment waarop ik op een zaterdagavond vlak voor sluitingstijd de winkel binnenstormde om toch nog een comic te kopen, nadat ik er eerder die dag al twee keer was geweest. Uitbater Bart Pinceel zei: ‘Drie keer op een dag, dat moet zowat een record zijn!’ Of die zaterdagochtend waarop verkopers Chris en Jeroen me met hun snode blikken van achter de toonbank aankeken en me wijsmaakten dat er die week geen comics waren geleverd, om me enkele minuten later smalend uit mijn lijden te verlossen.

Eind 1998 kwam er aan mijn verslaving abrupt een einde toen mijn grootouders van Kessel-Lo naar Ramsel verhuisden en mijn wekelijkse toegang tot Leuven werd ontzegd. Mijn edelmoedige zieltje maakte zich al snel grote zorgen over de comics die zich week na week op mijn naam bleven opstapelen. Maar de telefoon nemen om te zeggen dat ik niet meer langs kon komen, dat durfde ik niet aan. Het werd zelfs zo erg dat ik pas vijf jaar later, tijdens mijn studententijd, weer voet aan winkelwal durfde te zetten, hopende dat men mijn bestaan allang was vergeten of toch op zijn minst niet meer kwaad zou zijn.

Ik overleefde het weerzien en gaandeweg kwam alles weer goed. Met harde euro’s strijk je de hardnekkigste plooien glad.

Het zegelboekje ontworpen door Belgische striplegende Ever Meulen. Een volgespaard boekje geeft nog altijd recht op korting bij je volgende aankoop.

Een broos en knagend zieltje buiten beschouwing gelaten, heb ik heel wat aan Het Besloten Land te danken. Niet alleen de herinneringen aan de zaligmakende geur van vers gedrukt papier en de vrijheid om als prille tiener solo de stad in te duiken. Het was daar, in de zomer van 2017, dat ik van Ann Jossart – wederhelft van Bart en ondertussen uitgeefster van Oogachtend – de aanmoediging kreeg om me aan het schrijven te wagen. Een mens mag dan nog over creatief talent beschikken, personen die in je geloven zijn van goudwaarde. Anderhalf jaar later kwam De Walvis boven water.

Het is dus best mogelijk dat zonder het bestaan van Het Besloten Land mijn schrijverscarrière er anders had uitgezien. Zonder HBL had ik wellicht minder ruzie gemaakt met mijn ouders en had ik stilaan kunnen gaan rentenieren.

Gelukkig zijn harde euro’s ook niet alles. Eeuwige dankbaarheid is dat wel.