Ooit was ik van mening dat onze groeispurt uiterlijk in de late puberteit stopt. Dat het aantal centimeters dat ons voor het leven toebedeeld werd dan zijn definitieve aantal kent, op onze neus en oren na. En dat is het dan. Nee hoor: onze tenen groeien blijkbaar ook nog een flink stuk verder door.
Lange tenen, het is uitkijken geblazen. Maar ook voor lange messen is het opletten. We staan wat graag klaar om de ander een kopje kleiner te maken, soms zelfs om een scheet in een fles.
Dé oorzaak hiervan bestaat niet. Het is een kluwen aan dingen in ons sociaal weefsel die gevoed dan wel afgebroken worden of op elkaar kannibaliseren. En dat uit zich in hoe we met elkaar in gesprek gaan, collectief en individueel.
Aan het begin van dit decennium begon ik het op te merken bij jongere collega’s: ze hadden moeite stelling in te nemen, vermoedelijk uit vrees iemand tegen de borst te stoten en daarmee potentieel bruggen te verbranden of negatieve feedback te krijgen. Ik zie het vandaag bij collega’s, bij vrienden en kennissen in leidinggevende posities, bij leerkrachten.
Tijdens de kerstperiode hoorde ik in een koffiebar een van de vaste barista’s een nieuwe medewerker aanspreken met ‘Ik bedoel het niet slecht, maar kan je in het vervolg echt wat netter proberen werken?’
Mijn twee zonen gebruiken ze ook, vooraf verontschuldigende zinnetjes als ‘Daarmee wil ik niets verkeerd zeggen’ om vervolgens negatieve feedback te geven of een uitspraak te doen die niet volledig afgevijld en neutraal is. Ik probeer hen dan op het hart te drukken dat ze die voorafjes gerust mogen weglaten. Dat ze best mogen zeggen wat ze denken en dat het niet is omdat je het achterste van je tong laat zien dat je daarvoor in de hel zal branden.
Die veelvuldig doorgesijpelde voorzichtigheid komt natuurlijk ergens vandaan. Van angst voor lange tenen of lange messen. Wat kunnen we nog doen en laten zonder constant op onze hoede te zijn dat we alles wel goed hebben afgedekt om zoveel mogelijk gedoe te vermijden? Hoeveel ademruimte gunnen we onszelf en elkaar nog?
Onderwijsreglementen zijn vele pagina’s dikker dan nog geen kwarteeuw geleden om hommeles met leerlingen en ouders te proberen vermijden. Contracten tussen bedrijven en arbeidsovereenkomsten idem. We hebben collectief de mond vol over de nefaste gevolgen van toxisch leiderschap, trauma, faalangst, racisme, seksisme, uitsluiting, en noem maar op. De toegenomen aandacht hiervoor is absoluut een goede zaak. Maar soms lijkt het of de slinger is doorgeslagen.
Bovendien, wie snel met een moraliserend vingertje wijst, maakt zichzelf op een bepaalde manier ook schuldig aan uitsluiting en hokjesdenken.
Het is een fundamentele basiswaarde van een goed functionerende democratie dat verschillende meningen naast elkaar kunnen bestaan, dat ze eerder gedoogd in plaats van bestraft worden, dat fouten maken mag zonder dat de hele wereld je dreigt te vernederen.
Die emmers der vernedering uitkieperen doen we meestal online of in achterkamertjes, vaak niet wanneer we je recht in de ogen kijken. Zo zijn we dan ook wel weer.
Verse voorbeelden van lange tenen en lange messen zijn snel te vinden. Kijk naar Xander De Rycke, die voor zijn laatste zaalshow flink op zijn tellen moest passen, of Kamal Kharmach, die aan zelfcensuur deed bij de montage van zijn eindejaarsconference. Terwijl comedians net de functie van de nar vervullen om de maatschappij een spiegel voor te houden. Dat moeten ze kunnen blijven doen.
Kijk naar de actie die Sofie Lemaire en Jeroen Meus opzetten om onze lievelingskost te bepalen. Volledig gebaseerd op de populairste recepten in de database van Dagelijkse kost, maar toch kwam er kritiek dat er te veel vlees op het keuzemenu stond. Bewuster eten, klimaat en planeet indachtig is nodig, maar dat is niet het punt van ‘Lievelingskost’.
Kijk naar wat Petra De Sutter overkwam met haar openingsrede aan de UGent en enkele onbestaande quotes, verkeerdelijk gegenereerd door AI. Uitschuiver? Ja. Voer voor reflectie over het gebruik van AI? Dat ook. Het einde van de wereld? Nee toch? De speechschrijver van De Sutter zal er lessen uit trekken en vooruit met de geit. Dat Albert Einstein fout geciteerd werd of dat we niet op spaghettisaus met gehakt van De vegetarische slager kunnen stemmen? Het zal mij worst wezen.*
Trouwens, is het écht nodig om ons over alle dingen druk te maken waar we over kunnen foeteren? In deze hypernerveuze samenleving en een wereld die op zovele fronten in brand staat, is het alsof een onzichtbare hand onder onze kont een aanmaakblokje heeft gezet waardoor we licht ontvlambaar zijn geworden.
Of we nu met elkaar over kleine of grote dingen praten: is het nog mogelijk om respectvol van mening te verschillen? Is er nog voldoende aandacht voor nuance? In een wereld waarin je vooral opvalt door overacting, five-second video’s en sterke taal, is de ruimte daarvoor ontzettend klein. Het is of two thumbs up en duizenden hartjes of twintig nagels in elke pols en aan de schandpaal.
We kunnen niet overal safespaces inbouwen. Omgekeerd spreekt ook de nood aan zovele safespaces boekdelen. Want ook dat is een spanningsveld om over na te denken: kunnen spreken is nodig voor wie dat anders niet durft, kunnen handelen zonder angst voor bloedende polsen is dat evenzeer.
Door olifantenhuid gaan nagels naar verluidt minder snel, maar hoe jammer is het als we die allemaal moeten kweken.
*Deze woordspeling werd niet gesponsord door VLAM.