Zondag. Op de trein van Brussel naar Leuven hoor ik een vader voorlezen aan zijn zoontje. Ze zitten in een vierzit met de rijrichting mee, ze worden onze metropool uitgestuwd; ik zit in de aanpalende vierzit met mijn rug naar de Dijlestad, bezig aan de eerste bladzijden van een nieuwe Vlaamse thriller.
Heel af en toe stelt het kind een vraag, maar het is vooral de stem van de vader die de ruimte domineert. Zijn stem klinkt ietwat nasaal en vooral zwaar. Zelfs de hoogtes galmen niet, ze meanderen brommend door de ether. Verder let ik niet op de woorden; die op de bladspiegel voor me trekken me naar een lijk in een op straat gedumpte koelkast.
‘Mag ik u vragen wat stiller voor te lezen,’ klinkt het plots weinig vragend vanuit de vierzit kruiselings tussen die van ons in, aan de overzijde van het gangpad. Ik kijk op: een dame met een kruiswoordraadselboekje voor zich richt zich tot de vader. ‘We zitten in een stiltewagon.’
De vader bromt aarzelend. ‘Maar mevrouw, ik lees gewoon aan de kleine voor.’
‘Ja, maar dit is een stiltewagon,’ benadrukt ze opnieuw.
Ik kan vader noch kind zien vanuit de spleet tussen de ruggensteunen. Hij gaat niet in discussie en verlaagt zijn stem. De vrouw zet zich opnieuw aan haar raster. Even later hoor ik dat het verhaal over Galliërs gaat. ‘Misschien een strip van Asterix,’ denk ik, maar hoor verder niets over everzwijnen, toverdrank of Romeinen.
Mijn gsm trilt, ik wissel een grapje over Manneken Pis uit met mijn broer via WhatsApp.
In de vierzit achter mij borrelt vocaal gestommel op, de olijke rasp van vier oudere dames.
‘Pas op voor uw kroketten!’ schalt een van hen, in veel luidere decibels dan de vader ooit had bereikt. Kruiselings links blijft het stil.
De roep om de korstige versnapering heeft de ban in de wagon gebroken; er klinkt nu her en der geroezemoes en gestommel. Het kruiswoordraadsel wordt verder ingevuld.
Mijn oog valt op het T-shirt van de zwarte man voor me – er zit voor minstens tien procent Lukaku in zijn gelaat en lichaamsbouw, zegt mijn stilaan op Duivelsgek toerental komend hoofd. Paranoid staat in zwarte grote letters op de borst van een verder spierwit katoenen canvas. Mijn hersenen leggen een lijntje naar dit stuk.
Het allerluidst, maar niet alles overstemmend, klinkt enkele minuten later de stem van de conducteur. Dat we weldra in Leuven aankomen en dat daar en daar en daar overgestapt kan worden. Hij doet gewoon zijn job op een cadans van metalen ruis.
Ik kijk door het raam. Op de betonnen brug die naast de grote vuilniswerf loopt, prijkt groot en eveneens zwart op wit J’existe. Een schreeuw in stil verzet.
De om stilte manende vrouw stopt haar kruiswoordraadsel weg, trekt haar jas aan en verlaat als eerste de wagon.
Wanneer de trein tot stilstand komt, zie ik de vader en zijn zoontje. Het zoontje is niet ouder dan vijf en heeft stroblond haar, de vader draagt een hemd met daarop fijne draden van takjes met olijfgroene blaadjes. Mijn hoofd legt opnieuw een schrijverslijntje, eentje over ontkiemende letterliefde.
In mijn rug hoor ik de krokettenverlekkerden kwelen dat ze alles onder de arm hebben.
Voor me in het gangpad grijpt het zoontje naar de hand van zijn vader. Vlak voor hij het treinstel uit wipt, vraagt hij: ‘Moeten we ons nu haasten, papa?’
‘Nee,’ zegt de vader. ‘We hebben tijd.’
Op de terugweg naar mijn wagen, een kilometer diep de stad in, zie ik een jongetje zo luid als hij kan schreeuwen tegen een muur. Zijn ouders lachen er hartelijk om. Ik verbaas me dat ik de enige ben die lijkt op te kijken. De kapoenige uithaal tilt mijn mondhoeken op. Iedereen heeft bestaansrecht, iedereen heeft ergens gelijk, iedereen is ergens paranoïde, denk ik.