Verborgen kamer

wat is een huis meer dan een handvol ruimtes
waarin we proberen thuis te komen wanneer
de sleutel in onze hand het slot opheft

we bekleden ze met verf, kasten en schilderijen
om de echo’s van onze stemmen te breken
plaatsen lampen om het donker te lijf te gaan
en proberen in elke vaas naast bloemen
een stukje van onszelf te proppen

we leggen wol op een bed om er warmte in te vinden
en hangen spiegels op omdat we denken
dat we zo onszelf in de ogen kunnen kijken

de meesten onder ons stoppen er ook nog
een kat in, een eega, een kind
om onze verlangens onderdak te bieden
eenzaamheid te bezweren
of omdat het nu eenmaal zo hoort
en dan heb je nog zij die blijven bouwen
in de hoop dat die ene kamer het antwoord biedt

we doen zo ons best
lopen door deuren, hollen trappen op en af
op en pas die zo vaak niet de onze is
maar vergeten aldoor dat de enige plaats
waarin we echt kunnen wonen niet van steen en mortel is
al is ze nog zo hard dichtgemetst

de enige plaats waar elk van ons woont
echt zijn thuis kent
is de kamer van ons hart

alleen wie daar de ramen van opent
kan het leven horen zingen

Volume

hoor eens




men denkt altijd dat stilte
een niets is waarin alles vervalt
maar die vrees is een leugen
zoals er wel meer leugens de ronde doen
over dingen die men niet in de ogen durft te kijken

ik zal u zeggen, het tegendeel is waar

wie de stilte onder glas legt ziet een krioelen
van bewustzijn waarin een heel leven rust
dat zachtjes kloppend omhoog borrelt
als een gasbelletje in bruiswater dat
onhoorbaar aan de oppervlakte openspat


hoor je ‘t

het is juist er is geen geluid maar dat
wil niet zeggen dat er niet gesproken
of dingen niet met verstomming geslagen
dat het hierbij stokt
integendeel
er is niets dat meer tot beweging stemt

stilte is datgene waaruit alles ontstaat
waar onwetendheid uitmondt in weten
waar de achtergrond een podium krijgt
waarin een botsing een raakvlak wordt
een scheur een gladgestreken plooi
en waarin iedere schreeuw wordt gelijkgestemd
omdat het de taal is die iedereen kent

het is een waarheid
een die zichzelf nooit opheft
alleen kan worden aanvaard
die je niet kan sussen of omver geblazen krijgt
ze blijft staan

en dus
is stilte het enige dat overblijft


laat het die onontkoombaarheid zijn
waar men zo bang voor is

Verbond

we zijn in elkaar begonnen verstrengeld
zonder jou geen ik zonder mij geen jij
we hebben elkaar in de macht een leven lang
soms tegen wil en dank
daarom vraag ik wat jij weet dat ik nodig heb

geef me bouwsteenmelk vroeg in de ochtend
en laat in de nacht
om later sterk te staan

fluister me toe liefkozingen zacht
waar ik eerste woordjes uit maken mag
overmorgen zinnen en daarna
hele redevoeringen om mijn bestaan op te bouwen

toon me waar ik mijn voetjes zetten moet
waar gaat het goed en waar loopt het fout

geef me vertrouwen betterfood en de vrijheid
om mijn vleugels uit te slaan

laat me botsen op muren en een eerste lief
laat mijn handen los want alleen dan kan ik terugkomen
voor een kom soep op zondag en wat gouden raad
soms tegen wil en dank
een leven lang

hou je armen open sta altijd klaar
ook later wanneer ik denk dat ik groot ben
want ik heb je nooit niet nodig

en als dan ooit later heel veel later
maar toch weer veel te snel
jouw tijd gekomen is hou ik
naast jou de wacht
en fluister ik je laatste woorden toe
die jij zo vaak in het eerste donker over mij hebt gelegd

slaap maar zacht
ik ben bij je

mama

Weerzi(e)n

Deze winter deed ik mee aan de oproep voor teksten voor het nieuwe nummer van tijdschrift Kluger Hans. Dat zal als thema ‘Chaos’ hebben. De opdracht was dan ook om je van je meest chaotische kant te laten zien en een tekst in te sturen waarin de orde ver te zoek is. Als iemand die resoluut chaotisch in de kop is, bleek dat niet heel erg moeilijk. Ik besloot in de fictieve huid te kruipen van een personage die iemand tegen het lijf loopt die hij al dan niet kent. Het weerzien gaat al snel de absurde toer op.

Ik kreeg het nieuws dat de tekst helaas niet geselecteerd werd, maar dat neemt niet weg dat ik hem hier niet kan delen.

Hé! Ken je me nog?

Sorry, misschien had ik dat niet moeten zeggen. Ik weet niet of we elkaar al eerder ontmoet hebben, ik onthoud zulke dingen niet altijd, zie je. Proberen doe ik het wel, daar niet van, maar het lukt me zelden. Het is vaak te veel. Te veel in en om mijn kop, zeker hier in de stad. Al die mensen in de straat, er gaat een monotoon geluid van uit dat doelloos alle kanten op schiet. Om eraan te ontsnappen vluchtte ik vroeger vaak naar binnen, naar de koffiebars, maar ook dat bleek geen oplossing. Overal is geluid. Dat hoor jij ook.

//Intermezzo. Vroeger had ik een vaste koffiebar, voor alle goede redenen: het vaste chocolaatje bij de koffie, steeds een van dezelfde drie melkwolkige illustraties in mijn latte (hartje, rosetta, tulp – ik begrijp nog steeds niet hoe uit schijnbaar snelle polsbewegingen met een kannetje melkschuim telkens weer hetzelfde resultaat ontstaat), de zitplaats op de bank bij het raam waaronder de radiator stond die als leuke bijkomstigheid je achterwerk met een scheutje warmte prikkelde. Einde intermezzo.//

Over mijn geschiedenis met koffiebars praten zou ons te ver leiden en we kennen elkaar nog maar net. Of niet? Ergens heb ik het gevoel dat we geen vreemden zijn, zoals iedereen die je niet kent niet echt een vreemde is, altijd ergens iets herkenbaars in zich heeft. In de manier waarop hij het woord ‘croissantje’ uitspreekt, met een sprankel vreugde op het eind die het verkleinwoord valideert. Of in de manier waarop zij (het hoeft niet altijd een man te zijn) stapt, met de enkel van de rechtervoet een klein beetje naar binnen geknikt waardoor de schoenzool dezelfde slijtage vertoont als de jouwe, ook al lopen jullie toch net iets anders. Het omgekeerde is ook waar, dat iedereen die je kent toch ook altijd ergens een vreemde blijft. Ook daarom dat ik het dus best op ‘ken je me?’ houd; kennen is al moeilijk genoeg. Het veronderstelt een zekere doorgronding die schier onmogelijk te bereiken valt.

Als ik mag denk ik dat ik me toch best even voorstel, voor het geval dat. Ik ben het, ik, een vastomlijnde vorm van 1.79 meter en 81 kg (al durft dat laatste zonder noemenswaardige variaties in mijn voedselpatroon van jaar tot jaar met enkele duizenden grammen te schommelen. Vierentachtig en een half is tot hiertoe weliswaar de maximumgrens). Ik zeg vastomlijnd, maar wat betekent ook dat als je bedenkt dat elke cel in ons lichaam zichzelf om de zoveel tijd vernieuwt. Je blijft bestaan, maar de materie waaruit je bestaat verandert voortdurend. En terwijl je vernieuwt, verouder je. Weliswaar niet zienderogen, maar beetje bij beetje, haast onzichtbaar voor het blote oog, sluimerend. Vernieuwing die regelrecht tot achteruitgang leidt kan onmogelijk goed zijn, denk ik dan.

Over ogen gesproken: wat zijn die van jou fantastisch. Mag ik dat zeggen? Het is misschien wat direct en voortvarend zo tijdens onze eerste dan wel hernieuwde kennismaking. Maar ik vind echt dat je mooie ogen hebt. Blauwe ogen, maar vanop een afstand gezien met een diepte erin waardoor ik eerst dacht dat ze donker waren. Karbonkeltjes.

Zullen we ergens over praten? Liever niet over zaken waar mensen in koffiebars over leuteren. Want dan gaat het over hoe het bezoek aan een tante in het ziekenhuis is verlopen en over hoe er daar over clichés gesproken werd als het vlees dat elke avond opnieuw naar een uitgewrongen leren vod smaakt maar dat het los daarvan beter gaat en hoeveel tante er niet voor over zou hebben om haar vals gebit in een fijn stukje chateaubriand te zetten. Of over hoeveel moeilijker dan verwacht de cursus ethiek wel niet is en het een huzarenstuk wordt om hem tegen het mondelinge examen volgende week achter de kiezen te krijgen. Persoonlijk praat ik liever over dingen die er echt toe doen.

Ik…

Is het goed dat we spreken over orde? Dat is misschien wel het allerbelangrijkste. Orde. Structuur. Rechtlijnigheid. Het moet ons grootste streven zijn. Altijd. In alles. Zeker als het op spreken aankomt. De manier waarop we in en uit onszelf taal vormgeven, zegt zo veel over wie we zijn. Maar ook buiten het spreken moeten we er altijd naar trachten. Zonder orde en structuur zit er geen voegsel tussen de tegels waarop we wandelen. En het evenwicht is al zo wankel.

De wanorde woedt in ons allemaal, zie je. Dat lijdt tot vervelende dingen als geloof. In God, in Boeddha, Jezus, Krishna, Allah, Club Brugge, Frank Deboosere, in de kip of het ei. Al die geloven zijn grote hokjes klein gelijk, sluitende kaders die enkel binnenin waar zijn omdat ze niet naast elkaar kunnen bestaan. Geloof is een boeltje. Ik ben op zoek naar een systeem dat geen geloof is.

Wat me zo aanspreekt in jou is dat je iemand bent die eruit ziet alsof je alle schaapjes op het droge hebt. Dat vind ik mogelijks nog aantrekkelijker dan je ogen. Het maakt me benieuwd naar hoe je adem ruikt in de ochtend, hoe je een balpen vasthoudt terwijl je schrijft, hoe je in slaap valt.

//Nog een intermezzo. Ik ben zelf eerder een zijslaper. Beginnend op links, maar doorheen de nacht meerdere keren wisselend van kant. De laatste tijd word ik vaak wakker tijdens de wissels. Ik weet niet waarom. Ik slaap onvast. Ook ’s nachts komt er veel op me af. Dat kan gaan van of ik wel al het in de garage opgestapelde papier kwijt kan in de nieuwe gele containers die volgende week geleverd worden tot de vrees dat ik een tenniselleboog ga krijgen. Verder ben ik niet hypochondrisch. Tussen al dat nachtelijk denken door moet ik ook nog naar het toilet. Meestal één keer, soms twee. Vroeger had ik geen wekker nodig om op tijd wakker te worden. Nu wel. Einde intermezzo. Dit was het laatste.//

Ik zeg het. We hebben systemen nodig. Die nieuwe gele papiercontainers zijn best een goed systeem. Ze dwingen je om de rompslomp binnen de perken te houden. Om de dingen netjes weg te bergen. Ze voegen een zekere vorm van schoonheid toe aan afval. Als dat geen hoge vorm van kunst is.

Hoe zet jij het vuilnis buiten? Nee, niet antwoorden, wat is dat nu voor een vraag.

Ik laat het nu beter aan jou over. Aangenaam. Zeg maar…

Wacht, er kleeft nog iets roods boven je lip. Tomatensoep?

Een verdwijnen – Het Rode Oor 2022

Dit jaar richten deBuren, Stichting Nieuwe Helden en De Nieuwe Liefde voor de zesde keer de erotische kortverhaalwedstrijd ‘Het Rode Oor’ in. De opdracht? In maximum 800 woorden een prikkelend verhaal schrijven gelinkt aan een boek, kunstwerk, lied, film, televisieserie of game. Het werk Evening van Russisch schilder Victor Lyapcalo zit al enkele jaren in een inspiratiefolder op mijn laptop. Dit was het moment om (ahum) de daad bij het woord te voegen en er wat mee te doen. Ik herinterpreteerde het schilderij als een ochtendtafereel en ging ermee aan de slag. Hieronder lees je mijn inzending.

Een verdwijnen

Mijn kop slaapt nog half, murw van de voorbije uren. Ik begrijp haast niet dat ik geslapen heb, dat ik toegegeven heb aan zoiets alledaags, zoiets triviaals als nachtrust. Hoe haalde ik het in m’n… niet vannacht, niet met jou hier. Ik prevel binnensmonds wat verdommenis over mezelf, til me rechtop op mijn ellebogen om beter te kunnen zien. Het laken geeft mee zoals het dat vannacht ook heeft gedaan. Kansloos.

Wat een aanblik. Kon je jezelf daar maar zo zien staan. Kon je het zelf maar zien, het aanzicht dat ik heb op jou, kijkend naar buiten, de zonovergoten ochtend in, hoe de stralen vallen op je leden, hoe je het licht achteloos onderwerpt aan elke beweging, de azuurblauwe lucht zich op jou richt en niet andersom, hoe de roze daken van de andere huizen zachtjes beginnen beven van jouw verschijning. 

Zoiets kennen ze hier niet.

Ik had er louter een flauw vermoeden van welke oerkracht er in je schuilging toen ik je gisteren in de kroeg zag, leunend tegen een kruk aan de bar, meewarig starend naar het dansende grut dat heupwiegend met een rietje van mierzoete cocktails slurpte. Jij niet. Je dronk bruine rum, stevig spul, ik had het als een voorteken kunnen zien. Moeten zien. En wat dan nog. 

Je was nieuw hier, zo tierlantijntjesloos als maar kon zijn, in tegenstelling tot de meisjes op de vloer die met hun gegiechel en hun flauwe bipsjes en A-cupjes alleen tot de verbeelding van mannen met opgepompte torso’s spreken.
‘Ik ben op doorreis,’ vertelde je met een stem waar een bas in zit die menig muzikant meteen gunstig stemt. Je had me meteen, ik die geen enkele snaar of toets machtig ben, vanaf dat ogenblik wilde ik alleen nog door jou bespeeld worden, het glaasje rum zijn dat in je hand verdronk. 

Hoe heb je me vannacht laten zinken. 

De kat zit erbij zonder te weten wat het wonder is. Ze beseft niet welk schouwspel zich nu links van haar donzige pootjes voltrekt, hoe je daar over het balkon hangt als een koningin die haar hoedanigheid niet kent, hoe toch alles aan haar voeten ligt, voeten die op de wereld dansen. Je zet je rechter voor je linker, de zon kantelt mee over je rug, je billen, ze moet volgen, ze kan niet anders. Jij vult een universum, bent de zwaartekracht meester, een helder gat dat alle hemellichamen naar zich toezuigt, ze lieflijk verzwelgt, alles weerloos maakt.

Herstel is onmogelijk, dat is goed, ik wil nooit meer hersteld worden. Hier valt niet van terug te komen, elke poging tot rechtkrabbelen eraan voor de moeite. Onoverkomelijk, dat ben je.

Terwijl je daar staat tast ik hier in bed op de lakens in de rimpels die je erin hebt achtergelaten, voel de afdruk van je armen, je benen, je kont. Oh, je kont, je epicentrum, je weldadigheid, een planeet op zich waar ik vannacht een maan van was en er dan in verdween, mijn hoofd verzwolgen, mijn tong zwemmend in een majestueus donker, mijn neus verloren tussen de sterren. 

Ik wil telkens weer je maan zijn, in jouw onmiddellijkheid versmachten, boven komen om naar te adem happen om dan opnieuw een glorieuze dood te sterven. Gulzigheid is het, je reinste gulzigheid, ik weet het, maar hoe kan iemand in jouw aanschijn iets anders dan gulzig zijn wanneer je bekken een branding is waarop eender welk woesten tekeer kan gaan omdat jij zelf het beaufort bepaalt? 

Ik wil je uitzweten, in je cellulitis bijten, in je rauwe vlees, ik wil sudderen in het zweet van je dijen, een schip zijn dat zich klotsend op de golven probeert te verankeren in je haven terwijl het zich kapot beukt, ik wil in het oog van je storm wonen. Neem me mee. Geef me onderdak. Laat me niet los. 

Zo wil ik dat het gaat, maar zo werkt het niet, zo werkt het leven niet. Straks ga je weer. Ik blijf achter als een drenkeling, gestrand, geef de kat wat korrels, er zullen nieuwe lakens komen die jouw lendenen nooit hebben gekend, jouw lichaam nooit hebben gestreeld, tegen dan ben je een heel eind verder, god weet waar, waar misschien hetzelfde tafereel zich herhaalt, je spel met de zon, de zwaartekracht, een andere boot. Had ik maar verweer.

Ik zou je kunnen vragen het rode rekkertje in je haren op het nachtkastje te laten als aandenken, om toch iets, iets, maar wat levert dat op? Nog voor je goed en wel de kamer uit bent, ruikt het naar verlies. Daarom, omdat het verlies komt, ja laat ons alleen daarom nog één keer, want dat kunnen we. Hier. Nu. Jij. Ik. Laat me nog één keer in je verdwijnen. Gun me dat tenminste.

Ik blaas je bellen toe wachtend op je antwoord. Je ommekeer. Jou.

Stuk

het gebeurt altijd ergens onderweg
maar het gebeurt
het gebeurt
en cours de route
al koersend door een dal slenterend
het valt uit je

zonder klang of klingel
en dan dan is het kwijt
verloren

je blijft achter met een amorf gat in je buik
voor niemand noch jezelf zichtbaar
en toch passen er handen in
een hele wereld
ontvreemd uit je eigen lijf
bij klaarlichte nacht

nergens maakt men melding van een vondst
een plotse verschijning een aankomst
het water walst ontvankelijk tegen de kades
maar de havens staan leeg
de herbergiers aan de grond genageld
alle lijmers van chinese vazen en alle helers met hen

een voor een trachten ze de schade op te meten
vullingen worden aangerukt
geen enkel schutsel past
iedereen kijkt maar niemand ziet


je ligt naakt vervelt
tot braakliggende grond
het is niet meer
jij bent niet meer
omdat het nergens

je ademt –

Schoonvegers

we zien het in elkaars ogen zoals
de ene overspelige de andere herkent maar
dit is geen spel nee nee dit is de bittere ernst
van alle dag wee de verraders

er zit zo veel onder de mat

boete schaamte schuld braaksel verdriet beplast beddengoed
scherven van onszelf kapjes uit een medemens
we doen het zelden alleen onszelf aan
moordwapens flarden van verwoesting een verdwaald madeliefje
wie veegt schraapt meer dan alleen het ongewenste weg

zo veel onder de mat

een brei angstvallig weggemoffeld
het garen bij de haren opgetild
we zijn als de dood voor molshoopjes
willen alles gladgestreken
stampen er met onze voeten op

zo veel

het raakt niet uitgedoofd
nooit meer dan halfdood
het blijven kooltjes oranje zwart
geweld onder onze zolen bloed in ons hart
kijk ons dansen

snel een bezem
daar loopt nog wat
onderuit

Paso doble

binnen twintig tellen zullen we
en daarna nooit meer

tik tak tikken de hakjes onder je
schoenen op de kleine kasseien

ik weet op dat moment nog niet van hun bestaan
– het straatbeeld vooralsnog van alledag –
ontwaar in de verte enkel een schim
onder een transparante paraplu
de regen dooft elk geluid
met ruis van zichzelf

onze benen zetten ver om in dichterbij
knieën slaan de moeite over
scheren dertien seconden weg
en zetten sluipen om in een draf
zoals dat altijd gaat

mijn doelloze staar fixeert zich
plots op het onverwachte
jouw blik op mij
nog vier seconden
jij was eerst

jij was eerst
ik wijk verstomd af naar de muts onder je regenscherm
dubbele bescherming
twee seconden
je bent zo iemand die in een omhelzing de armen
die je omwieken extra aansnoert
zo zo ben je
en dan nog je poffige jas

je kijkt vooruit naar wat achter mij ligt
en duikt dan terug mijn ogen in
een seconde
ik moet volgen

je kaarsrechte rug verraadt dat je tango danst
en zoë heet
het kader om je mond glimt
nul seconden
je lange haren golven zonder wind
onze linkerschouders schaven onbereikbaar langs elkaar

min acht seconden
je passeert een sushirestaurant dat volgende week pas open gaat
op een ander moment was het vast lekker geweest
ontdaan van bescherming en keurslijven
gewoon wij

gelukkig

ben ik je nu al vergeten

voor hetzelfde geld had je
helemaal geen hakjes aan