Meneren en matroesjka’s

Mijn kinderen kijken al eens naar Ghost Rockers, de Studio 100 serie over een rockgroepje met in de hoofdrollen Marie Verhulst – voor ze aan Samson vastgeketend werd – en Tine Oltmans, die zich ondertussen van haar meest mistroostige kant laat zien in de telenovelle Lisa op vtm. De Ghost Rockers botsen vaak op problemen met een paranormaal linkje en brengen op regelmatige basis hits ten berde als Alles is stil, Vallen en opstaan en de fruitige voltreffer Jij bent mijn aardbei, dewelke ongeveer rond deze periode van het jaar ontsproten moet zijn aan het brein van een lid van het bataljon tekstschrijvers dat Studio 100 in dienst heeft.

In Alles zingt Tine ‘Ieder hart stopt ooit met kloppen/Alle jeugdigheid verdwijnt’ op een haast tragisch schreeuwende manier, alsof haar jonge lenden nu al voelen dat het verval ooit onherroepelijk zijn intrede zal doen. Er moet iets van waar zijn van wat ze zingt, want op mijn verjaardag gisteren kwamen tussen het gelukwensen door tot driemaal toe de opmerkingen naar boven die me wezen op het feit dat ik nu toch echt wel wat ouder begin te worden. Ik ben 38 geworden, de 40 lonkt. Niet aan de horizon, maar aan de overkant van de rivier, zo snel gaat de tijd. Wie 38 is, staat dichter bij de 50 dan bij de 25, de echte jeugdigheid behoort weldra tot het verleden. Behalve dan in je hoofd, de enige plek waar je zo oud bent als je wil zijn.

Want wat betekent het om volwassen worden? Ik vraag het me nog steeds af, ben in mijn gevoel nog steeds bezig om ‘het’ te worden, veeleer dan dat ik het echt ‘ben’. Het enige dat ik zeker weet, is dat ik de pubertijd achter mij gelaten heb. Verder voelt het nog altijd vreemd wanneer men mij bij de bakker, de slager of de apotheker ‘meneer’ noemt.

Op mijn achttiende aan het begin van deze eeuw begon ik te studeren in Leuven. Op de eerste dag in toen nog eerste kandidatuur stapte ik van de trein de Bondgenotenlaan in, een kilometerlange ader naar het kloppend hart van de stad waarlangs menig intrede plaatsvindt. De koning te rijk keek ik omhoog naar de zonnige hemel en dacht, ‘nu gaat het beginnen’. Ik was dan wel student, maar daar bleef het ook bij. Drie jaar later in 2004 toen ik voor het eerst alleen een verre reis maakte – naar Phoenix en San Diego – had ik een gelijkaardig gevoel toen ik naar de gate van het vliegtuig liep. Maar opnieuw: niets. In beide gevallen gingen er nieuwe werelden open, maar de poorten naar het volwassen leven bleven dicht, of in elk geval buiten mijn bereik.

Ondertussen kan ik alleen maar zeggen dat het enige dat wezenlijk veranderd is, is dat de wereld kleiner is geworden. Het lijkt wel dat hoe meer werelden je opent, hoe meer je ontdekt, hoe kleiner de wereld in zijn algemeenheid wordt, alsof hij een matroesjka is die onherroepelijk kleiner wordt naarmate je dieper graaft.

Ergens heb ik nog steeds het beeld dat ik als jongen had, dat er een moment zou komen waarop je officieel beëdigd wordt als volwassene: na het afleggen van je examens, het behalen van je rijbewijs krijg je een strak kostuum aangemeten zoals in Mad Men en hopsakee je speelt mee in de zandbak van de grote jongens. Ondertussen is het al 16 jaar geleden dat ik én mijn rijbewijs heb behaald en mijn laatste examen achter de kiezen heb gestoken en is mijn eerste kostuum al versleten. Toch ben ik nog steeds wachtende.

Godot kwam ook nooit, misschien is het ook zo met de volwassenheid. Het moment komt niet omdat het allemaal één groot gedoe is, die zandbak: we zitten er gewoon allemaal samen in, de ene vrolijk met de armen een accordeon vormend met zes andere lustige zangers, de andere alleen met z’n emmertje en schepje in een hoek.

Er is geen toegangsticketje tot de volwassenheid. Misschien moeten we daarom zeggen dat mensen ofwel ‘kind’ zijn ofwel ‘kind af’. Eens je kind af bent, loopt alles gewoon in elkaar over en is dat hele volwassen worden een regelrechte schijnvertoning.

Zo is het ook volgens Neil Gaiman, die in The Ocean at the End of the Lane een alwetend elfjarig meisje het volgende inzicht in de mond legt:

Grown-ups don’t look like grown-ups on the inside either. Outside, they’re big and thoughtless and they always know what they’re doing. Inside, they look just like they always have. Like they did when they were your age. The truth is, there aren’t any grown-ups. Not one, in the whole wide world.

Wie zich toch volwassen meent te voelen, kan zich links aan het onthaal aanmelden voor inspectie.

De slinger en de kus

Lady en de vagebond uitgespuwd door vegetariërs omwille van te opzichtige dikke gehaktballen in spaghetti.’

‘Gaïa vraagt verbod op vertoning van 101 Dalmatiërs wegens puppymishandeling.’

Het mag niemand nog verbazen mochten deze koppen binnen afzienbare tijd in de krant staan. Nu de puurste der grandes dames van Walt Disney – Sneeuwwitje – zo is aangevallen, is het hek van de dam. En dat allemaal door die ene, tot voor kort 84 jaar lang onschuldig geachte kus.

Ik had het niet zien aankomen. Als Sneeuwwitje al aangeklaagd zou worden, dan had ik dat eerder verwacht omwille van het promoten van een lui, lamlendig leven (vanaf een gegeven moment doet ze niets anders meer dan slapen) of voor het nastreven van onbereikbare schoonheidsidealen (heb je die onnatuurlijke rode lippen al eens goed bekeken?). Het had ook gekund dat de aanklagers voorvechters van een of andere vorm van feminisme waren geweest: doe het maar eens zo helemaal in je eentje en zonder steun dag in dag uit zorgen voor 7 dwergen… om nog maar te zwijgen over haar opgesteven, onkreukbare schouderpofjes, die krijg je alleen maar zo door onder dwang schabouwelijk veel te hebben staan strijken. Maar neen, Sneeuwwitje moest op het schavot omwille van De Kus.

De enige manier om de ophef rond die verfoeilijke daad weer ongedaan te maken is dat ze bij Disney naar buiten zouden komen met een verklaring dat de prins in feite transgender is. Die liggen vandaag zo goed in de mediatieke markt dat alle heisa als door een toverstokje in handgeklap zou veranderen en Sneeuwwitje alom geprezen als toonbeeld van diversiteit.

Alle gekheid op een toverstokje, ik denk alsmaar vaker dat de slinger te fel is doorgeslagen. Je kan bijna niets meer zeggen of doen of je riskeert iemand zere tenen te trappen. Meer nog, het lijkt wel alsof onze teentjes collectief 21 centimeter langer zijn geworden, waardoor het haast onmogelijk is ze te ontwijken door je mond nog maar half te openen.

Omdat je op sociale media gegarandeerd een groepje gelijkgestemde zielen rond een mening verzameld krijgt, zijn de hoenderhokken waar geen knuppel in werd gegooid ondertussen met uitsterven bedreigd. Omgekeerd, wanneer je niemand wil bruuskeren met wat je zegt, maakt of doet, is het constant op eieren lopen opdat er maar niets bij iemand in het verkeerde keelgat schiet.

Waarom toch worden er zo snel messen getrokken? Hoe zit het met onze tolerantie, met onze openheid en verdraagzaamheid die een sereen en open debat mogelijk moeten maken?

Begrijp me niet verkeerd. Iedereen heeft recht op een eigen mening. En bewegingen als #metoo, woke en Black Lives Matter, om er maar enkelen te noemen, hebben absoluut hun waarde en bestaansrecht. Maar tussen die fenomenen en De Kus zit toch aardig wat afstand, neen? Soms denk ik ‘rustig maar’ of ‘hebben we echt niks beters om ons druk in te maken?’ De vraag rijst over wat het zegt over onze samenleving, onze cultuur dat de gemoederen zo snel verhit raken.

Je ziet het overal. De Kus is gewoon het voorbeeld du jour. Ik denk terug aan de heisa die schrijver Marieke Lucas Rijneveld te beurt viel bij het nieuws dat hen (Rijneveld ziet zichzelf als non-binair) het gedicht zou gaan vertalen dat Amanda Gorman tijdens de inauguratie van Joe Biden de wereld instuurde. Op enkele dagen tijd was de storm op zee zo woelig dat Rijneveld haar bootje naar de kust roeide en voor de opdracht bedankte. De uitgever moest met een publieke schuldbekentenis boete doen. De reden? Rijneveld is wit, Gorman zwart, dus moet het gedicht ook door een zwarte auteur vertaald worden. Een valabel argument, ware het niet dat het team van Gorman zelf had instemd met de keuze voor Rijneveld. Dat deed er niet toe. Vreemd, toch?

Rond diezelfde periode enkele maanden geleden las ik een artikel over een onderzoeker die samen met nog een man een boek had geschreven over de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en in het werk de vaak secundaire positie van de vrouw tegenover de man wetenschappelijk benaderde en ook onderschreef. Vraagt de journalist(e, maar dat doet er eigenlijk niet toe) op het einde van het interview of het niet ironisch is ‘dat een boek dat de waarheid over de vrouw probeert bloot te leggen, geschreven is door twee mannen’. Komaan. Gelukkig antwoordt de onderzoeker dat het net een punt van gelijkheid is dat het werk ook door twee mannen kan geschreven zijn.

Het is goed mogelijk dat ik gelijkaardige vraag voorgeschoteld krijg bij het verschijnen van mijn volgende graphic novel. Die draait sterk rond de thema’s van vrouwelijkheid en ontluikende seksualiteit en is geschreven en getekend door respectievelijk een man en een man. Oei. Gelukkig kan ik in de strijd werpen dat de uitgever en de redacteur die het verhaal aanvaard en begeleid hebben allebei vrouwen zijn.

Rustiger vaarwater is ongemeen slecht voor de clickbait, maar ik snak er zo naar. De slinger mag terugkomen, wat mij betreft. Tot de zee wat is gaan liggen, kijk ik nog eens naar De Leeuwenkoning. Ik blijf het ongemeen wreed vinden hoe de ene broer de andere koelbloedig afmaakt, maar daar heeft nog geen haan naar gekraaid. En er wordt niet in gekust.

Zandloper

Het is de dag na Hemelvaart en ik heb zin in een klein beetje reizen. De trein brengt me naar Knokke. Ik wilde naar een plaats die nog wat onbekendheid in zich droeg – ik was hiervoor nog maar één keer in Knokke geweest, een zeer vage herinnering is al wat rest. Ik heb niets mee, behalve een boek, boterhammen, water en wat fruit. Het weer – veel wind en een paar magere zonnestralen – schreeuwt niet meteen om toeristen, maar ik ben overduidelijk niet de enige met het idee om eropuit te trekken.

De massa marcheert op de stenen van de dijk, het strand zelf lokt weinig wandelaars. Ik weet meteen waar naartoe: naar het natte zand, met verder alleen de wind om me heen. In de buurt van een golfbreker blijf ik even staan om aan te komen, mijn hoofd met kust te vullen. De golven strijken zich langzaam uit als een tafelkleed over een veel te grote tafel dat telkens weer opgeschud wordt in de hoop ooit eens goed te vallen. Na een tiental minuten zet ik de pas erin, het water langs stuurboord, richting Duinbergen. In de verte rijzen de kranen van de haven van Zeebrugge op; ze hebben het al lang opgegeven idyllisch te proberen wezen.

Na een half uurtje wandelen vlij ik me neer tegen een wit strandhuisje dat de weinig vergezochte naam ‘Meeuw’ heeft meegekregen. Schuin tegenover mij doet een oma met haar kleindochter hetzelfde. Het meisje speelt met het zand, de oma slurpt van een thermos koffie, ik lees verder in mijn boek, De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Door de twee rijen hokjes zijn we met ons drieën volledig uit de wind gezet. Binnenkort zullen ze weer open mogen, de strandcabines, mogen ze hun opgeslagen stukjes zomer met mondjesmaat lossen en vervangen door nieuwe.

‘Het is goed om te dromen over plekken waar je ooit naartoe wil.’ zegt de hoofdpersoon in het boek. Ik denk aan hoe ik dat vroeger ook deed, op mijn wereldbol kijken naar exotische plaatsen als Aruba en Jamaïca omdat de Beach Boys daarover zongen in Cocktail of naar Egypte, het rijk der farao’s, Brazilië, waar de grootste voetballers woonden, de grootsheid van Rusland, de VS of China. De kleinheid van België probeerde ik te ontwijken. Je kijkt op een wereldbol naar meer dan landen alleen.

Mijn oudste zoon heeft sinds twee kerstmissen geleden ook een bol op zijn kamer staan. De zijne geeft licht, maar hij steekt hem zelden aan. Ik heb hem nog nooit gevraagd waar hij naar zoekt. Met bestemmingen is hij nog niet bezig, behalve Italië. Daar wil hij graag met het vliegtuig naartoe. Hij heeft nog nooit gevlogen. Misschien ziet hij die belofte wel vervat in zijn opgebolde wereld.

Enkele hoofdstukken later wandel ik verder, de zon priemt wat stralen door het wolkendek. Ik vind een klein plekje op de dijk omzoomd met windschermen die de tocht zoveel mogelijk buiten en de zonnestralen zoveel mogelijk vast moeten houden. Ik bestel een thee en duik terug tussen de letters.

‘Het is twee keer draaien,’ instrueert de bevallige dienster me wanneer ze de thee neerzet op mijn tafeltje. Naast de tas staat een brede zandloper gevuld met gouden korreltjes. Wanneer het zakje in het water gaat, weet ik wat me te doen staat. De korreltjes beseffen niet wat voor kostbaars ze in zich dragen, ook al zijn ze van goud.

Ik ben vandaag ook een zandloper, maar dan een losgekomen van de tijd. Ik ben nauwelijks met de tijd mee bezig, enkel met er zijn. Op de terugweg op de trein ben ik het nog minder, al zal ik in totaal even lang onderweg geweest zijn dan dat ik aan de kust was. Het kan me niet schelen, het is net daarom dat ik het doe. Wie onderweg is, zweeft langs de tijd heen.

‘Ooit wil ik naar mezelf toe.’ vervolgde het stukje dat ik met mijn rug tegen het strandhokje las. Laat mij nu nog maar even onderweg zijn.

Skateboard op kerkhof

Ik moet even uitwaaien. Ik stap de wagen in en begin te rijden, een boswandeling lonkt. Wanneer ik op de splitsing kom waar ik voor het bos naar rechts moet, beslis ik toch om linksaf te draaien, richting Leuven. Het is 1 mei, dag van de arbeid, dus in de stad valt nog minder te beleven dan door het virus al het geval is. Maar daar rij ik ook niet heen. Op de baan naar Leuven ligt het kerkhof waar mijn grootouders begraven liggen. Daar wil ik naartoe.

Het is de eerste keer dat ik er kom sinds mijn grootvader is overleden, ruim drie jaar geleden. De parking van de begraafplaats staat voor een derde vol, ik ben bang een dienst te zullen verstoren met mijn aanwezigheid. Het kerkhof zelf blijkt zo leeg als wat. Ik vraag me af wat die wagens er dan te zoeken hebben, op deze plaats die een stukje buiten het leven valt, een plaats van zijn en niet zijn, die zich onttrekt aan het tollen van de dag.

Ik trek de hoofdader van het kerkhof op, honderd meter verder links ligt de strooiweide. Plots duikt er uit een van de inhammen een gezin op, man en vrouw voorop, enkele meters later gevolgd door een meisje op een fluoblauw skateboard en haar kleinere broertje erlangs. Het zijn de enige mensen die ik het komende half uur zal zien. Het skateboard kraakt op de stenen en hapert wat. Het meisje stapt af en legt weer aan. Ze lijken zich niet van de omgeving bewust, alsof het kerkhof een doordeweeks onderdeel is op hun pad van punt a naar punt b.

De strooiweide is een klein aangelegd heuveltje van een kleine meter hoog dat afloopt naar een haag. Mijn ogen gaan haast automatisch naar de zwarte steunmuur waarop de heuvel rust en waarin alle namen staan gegrift van mensen die hier sinds de opening van de begraafplaats aan het begin van de eeuw  hun laatste rust hebben gevonden.

2006, eerste kolom. Daar staat de naam van mijn grootmoeder, tussen de twee namen waar ik hem sindsdien altijd tussen heb gelezen. Ik heb nooit de moeite gedaan ze te onthouden. Mijn blik schuift mee naar rechts, mee met de jaren. De tijd staat hier wit op zwart in steen gebeiteld. Ik lees lukraak wat namen van mensen die ik niet ken, namen van oude mensen, namen die ooit maar nu niet meer aan kinderen worden gegeven, maar ook namen die te jong klinken om van een eeuwenoud kind te zijn. Bjorn. Annelies.

Oud of jong, vrouw of man, alle namen hebben een ding gemeen: ze hebben stuk voor stuk voor mensen een wereld betekend. Voor de lezer die hen niet kent, zijn het gewoon lettertekens die weinig gevoel oproepen. Gedeeld verdriet reikt maar zo ver. Ik denk aan een anekdote die ik ooit las van schrijver Marnix Peeters, die in kerkhoven op zoek ging naar combinaties van voor- en familienamen om op zijn personages te kleven. De dood heeft op onmiskenbaar veel manieren een hand in het leven.

De rij namen stopt ergens in 2016, een jaar te vroeg. Ik ga kijken om de hoek van het heuveltje, waar de zwarte stenen doorlopen, maar het zwart is er zwart gebleven. Pas dan zie ik naast mij twee vederlichte metalen constructies staan, met daarin doorzichtige plaatjes met eveneens witte letters op, dit keer niet gegraveerd maar gekleefd, alsof er twee types overledenen zijn: van marmer en plastiek, dood die zwaar maakt en dood die voor verlichting zorgt. De naam van mijn grootvader staat op het bovenste plaatje, op plaats negentien. Ik kijk naar omhoog en gooi een knipoog naar de wolken, zoals ik weleens vaker doe. Wanneer ik een lied hoor dat met een van hen verbonden is of ik gewoon aan hen denk. Ik blijf het doen, al weet ik niet of ze hem somewhere over the rainbow opvangen en in welke vorm dat dan is.

Ik hoor gezoem, een bij laaft zich aan een van de verse bloemstukjes die op de heuvelrand zijn neergezet. Van in de bomen rondom klinkt gekwetter van vogels. Sommige bomen dragen een vogelhuisje hoog aan de stam. Men wil hier bewust leven aantrekken, om te zeggen dat de muziek nooit stopt.

Wanneer ik de heuvel omsla, klaar om terug te wandelen, tel ik tot waar ik kan zien elf strooisels as, wachtend op de wind, het heengaan nog te vers om al in kleefletters te zijn gezet. Er gaat een vorm van beroering door mij heen, in mijn binnenste knik ik als een groet, om wat deze niet-meer mensen voor hun naasten hebben betekend. Het beeld van hoe de begrafenisondernemer drie jaar en een handvol maanden geleden de as van mijn grootvader uitstrooide komt me voor de geest. Men legt de assen niet op een hoopje, men spreidt ze uit. Ik weet niet of dat is om ze langer hier te houden, dat de wind er niet meteen mee weg is. Ik denk aan hoe ik, wanneer we hier een klein half leven geleden voor mijn grootmoeder stonden, pas als laatste vertrok en haast gedwongen mijn vinger even in haar as drukte, hoe banaal koud dat voelde, hoe een kleurrijk leven voor altijd grijs was geworden.

Uitgewaaid wandel ik weer over de hoofdader naar waar ik van kom. Op de terugweg zie ik alleen maar zwarte vogels vliegen en trippelen, alsof het erom gedaan is, dat alleen zwart recht heeft op dit domein. Deze keer geen mens meer te zien, het skateboard is al lang verdwenen. Misschien ontlokt het vandaag nog wel bloed, onder de vorm van een geschaafde elleboog of knie, een teken van leven dat stroomt.

Uit het hart

Ik hou er niet van wanneer eenvoudige dingen voor verwarring zorgen. Dat horen ze niet te doen. Toegegeven, het kan soms ook aan mijn interpretatie liggen. Het gebeurt al eens dat ik de realiteit een tikkeltje anders zie dan de doorsnee persoon. ‘Ik ging ervan uit dat …’ of ‘Ik had … anders geïnterpreteerd’ zijn dan de standaard verdedigingsmechanismen waarop ik terugval.

Een van de dingen die mijn kop in de knoop leggen, zijn de hartjes op sociale media.

Ergens onderweg zijn ze de nieuwe like geworden zijn, waardoor ze te pas en te onpas als reactie op een post het digitale luchtruim ingaan. In mijn hoofd staan hartjes gelijk met liefde, hartstocht, niet aan duimpjes omhoog, dus wil ik dat ze gereserveerd blijven voor liefdesbekentenissen, Valentijn en andere gelegenheden waar Cupido en amour echt in het spel zijn.

Elke keer ik een hartje toegeworpen krijg – van mannen iets minder dan van vrouwen, gelukkig – moet ik mijn belevingswereld even herkalibreren en op zoek gaan naar de betekenis, de reden waarom ik de rechtmatige ontvanger van het rode kleinood ben. Tenzij ze op een liefdesbrief plakken, doen hartjes me altijd een beetje ongemakkelijk schuifelen op mijn stoel.

Op Instagram kan het niet anders, daar heb je geen keuze. Het is een hartje of niks. Maar op Facebook heb je die keuze wel. De opsplitsing tussen hartjes en duimpjes vind ik een behoorlijk vreemd gegeven. Is wat iemand post zo veel beter, fijner, amusanter, sterker … wanneer iemand je een hartje geeft in plaats van een duim omhoog? Ik heb er in elk geval het raden naar.

Vroeger, ten tijde van pen en papier, was het zo klaar als een klontje. Wie met hartjes strooide deed dat met een duidelijke reden en gaf een vrijgeleide naar een maretak om onder te gaan zoenen. Ook voor de ontvanger was het duidelijk: hij/zij was gegeerd wild.

Zouden ze vandaag nog veel geschreven worden, liefdesbrieven? Of zijn ze samen met de slows van weleer een stille dood gestorven? Soms lees je wel eens in de media dat de jeugd vandaag preutser in het leven staat. Misschien klopt dat, misschien ook niet. Mijn jongens zitten nog in de fase dat meisjes eerder vreemde wezens zijn die toevallig ook in dezelfde klas zitten. Ik op die leeftijd? Een stapje verder toch, jawel.

Ik durf te bekennen dat ik de eerste keer in mijn liefdesbriefpen kroop op zeven- of achtjarige leeftijd. Het hoogst gewichtige witte vel werd verpakt in een bruine A4 enveloppe; de boodschap te belangrijk om te vierendelen. Met balpen kribbelde ik vervolgens x aantal hartjes op het bruin om meteen duidelijk te maken waar alles om draaide. Die ene keer toch, want mijn liefdesperikelen in mijn tienerjaren bleven vooral steken op platonisch niveau. De angst om blauwtjes te lopen was duizend maal groter dan eender welke mogelijke positieve uitkomst het benaderen van een lieftallige deerne kon hebben.

Hoe het ook met de liefdesbrief gesteld is, de hartjes op sociale media maken één ding duidelijk: in de digitale wereld is veel liefde te geef. Op zich is dat een positieve zaak. Al moet ik toegeven dat ik nu al uitkijk naar het moment waarop ook de hartjes door hun veelvuldig gebruik hun doel voorbij schieten en er een nieuw icoon moet komen dat voor ersatzduim kan dienen. Ik laat bij deze een ballonnetje op voor een hamer. Om alle verwarring meteen de kop in te slaan.

Mocht je na het lezen van dit stuk ervoor kiezen om te reageren met een hartje, zeg dan alsjeblief ook even waarom.

Eergisteren

het was die dag
net buiten handbereik
dat het strand waar onze voeten
zo vaak in zonken geen speelveld meer kon zijn
al was de wil er nog van ons beiden
en uiteenviel in een verzameling
van eeuwenoude kleine kiezeltjes die slechts
heel even hier zullen zijn maar toch
nog heel veel langer
dan wij

ergens moet er nog een zandkasteel te zien zijn
als een onneembare burcht
een kas waarin dromen worden bewaard
om waarheid te worden
zeg het me
nu

buiten de schaduw van de dag
heb ik een vesting gebouwd
van steen van harder en van moeten
hier zat ik veilig dacht ik hoger

tot iemand me zei dat steen ook
gewoon gebakken zand was

Zomerwinter

Sommige dingen horen niet te gebeuren. Ze gebeuren wel, omdat chaos vroeg of laat het pad van de orde doorkruist. Soms zijn wij het die de orde in stand houden en is de chaos een speling van het lot, maar even goed zijn wij het die de orde der dingen aan onze laars lappen.

Van het tweede hebben we minder last dan het eerste. Als we zelf chaos in de orde scheppen, zijn wij heer en meester, hebben we controle. Andersom is het net niet het geval. De controle wordt ons ontnomen, we kunnen alleen slaafs ondergaan wat ons wordt aangedaan.

Over de temperatuur hebben we nooit controle gehad. Ondertussen blijven we er aardig voor zorgen dat de zaken in die controleloze toestand nog meer de pan uit zullen swingen. We braken ondanks de coronasituatie opnieuw evenveel CO2 uit als voordien. De gevolgen daarvan zijn steeds meer zicht- en voelbaar, ook bij ons.

De ene week slaan we sidderend van de kou een extra dikke sjaal om ons gezicht omdat de temperaturen ook overdag onder het vriespunt blijven. De week nadien schiet de temperatuur op een paar dagen tijd pijlsnel de hoogte in, met nieuwe dagrecords voor februari tot gevolg. Terwijl het half zomert in februari lees ik in de weekendbijlage van de krant over ijsberen – mensen die het geweldig vinden om in hun blootje, of toch bijna, in een ijskoude plas te duiken. De gedrukte actualiteit loopt onherroepelijk achter op het kwik. De meeste leden van de ijsbeerclub zijn boven de zestig staat er in het artikel. Senioren zijn het nog gewend, de echte kou. Ik ben al blij dat mijn kinderen dit jaar nog eens sneeuw hebben gezien.

Wanneer het kwik met de records speelt, komen een paar twintigers in het journaal vrolijk kwetteren dat dit dan wel het gevolg mag zijn van een op hol geslagen klimaat, maar dat de zonnestralen op hun gelaat die gedachte snel doet vergeten. Ik vraag me af hoe mensen het kunnen, vol in het hier en nu leven terwijl de toekomst – op het vlak van klimaatverandering – somber oogt. Op zo’n momenten van voortijdige zon en hitte – 18°C in februari is een even grote sprong van het normaal als 35°C in juli – kan ik alleen maar droeve dingen denken, hoezeer de zon mijn gezicht probeert op te vrolijken.

Nog geen twee weken later zijn de temperaturen alweer gezakt alsof het een jojo is die zichzelf per ongeluk omhoog had getrokken. Daar kan ik dan een klein beetje blij van worden, al is dat in het grotere plaatje ook gewoon dom; de opwarming blijft een feit. Wij hebben hier voor de chaos gezorgd, de natuur had zonder onze tussenkomst haar zaakjes mooi op orde.

Rond diezelfde tijd breekt een ijsplaat ter grootte van New York af van Antarctica. A74 heet het reusachtige stuk ijs, alsof het een autostrade betreft. ‘Via het ijs richting de Grote Oceaan? Dan moet u de A74 op.’ Ik beeld me in hoe Manhattan op losse schroeven staat en Broadway zijn kunstjes doet op zee. De scheur zou geen aantoonbaar gevolg zijn van de opwarming van de aarde, omdat het loskomen een proces van vele vele jaren is. Het stelt me niet gerust.

Misschien lees ik te veel, is de ongerustheid daardoor nooit helemaal van de baan.

En dan komt het nieuws van de 41-jarige man die dood teruggevonden is, via datingapp Grindr in de val gelokt. De geruststelling vliegt het raam uit. Dit is chaos in de orde, zoals de onthoofding van een leraar in Frankrijk, de wantoestanden bij studentendopen die een schacht het leven kost: het raakt onze samenleving tot in haar diepste vezels. Zo hoort het. Ons collectief moreel kompas moet hier tilt bij slaan. Zeggen dat we deze chaos in onze orde niet willen, niet pikken. In een tijd waar zo hard op gelijke rechten gehamerd wordt en initiatieven als Vrouwendag steeds meer positieve weerklank vinden omdat er daadwerkelijk iets beweegt is zo’n daad meer dan ooit des duivels.

Dat was het altijd al, maar je zou hopen dat je vandaag het punt voorbij bent waarop zulke dingen niet meer gebeuren. Maatschappelijke vooruitgang betekent dat iedereen moet kunnen zijn wie hij, zij of hen willen. De geaardheid en de liefdeswandel van een ander is zoals koffie zwart en gras groen is: ontegensprekelijk waar en gewoon hoe het is. En zelfs al vind je het voor jezelf maar niks – maar waarom zou je? – dan nog kan je het op z’n minst respecteren.

Van zulke gebeurtenissen worden de nachten als vanzelf een stuk kouder. Het enige wat we kunnen is ons verwarmen aan elkaar. Mekaar de hand reiken, een ketting vormen tegen geweld, homohaat of welke vorm geweld of haat ook moge aannemen. Een luid verzet in stilte waarmee we zeggen: dit kan niet.

Onze toekomst op het vlak van tolerantie moet rooskleurig zijn. Het mag niet anders. Van het klimaat weten we niet of we het onder controle krijgen, maar in het hier en nu kunnen we wel beslissen hoe we ons gedragen. Tegen welke gruwelijke daden we neen zeggen, zodat de ander geen vreselijk lot meer te wachten staat. Laat ons de chaos uit de orde halen waar we dat kunnen. Want sommige dingen horen nooit te gebeuren. Op dat vlak mag het gerust zomeren in de winter.

Codetaal

het is stappen en het noorden kwijt zijn
geboeid aan een reis beginnen
zonder je een tel gevangen te voelen

het is van een taart smullen
en speels bakkeleien over wie de kers krijgt

het is behangpapier kopen
terwijl je eigenlijk verf wou

het is op de tast een hand reiken
en er een aannemen niet wetend
wanneer het trekken en wanneer
het duwen wordt

het is op jezelf terugvallen
wanneer aan de overkant niemand staat

het is een oplawaai
vanuit een dode hoek
vervoering

een sprong een overslag
de spagaat tussen een en twee
een kunstje zonder handen
maar nooit een opvoering

het is een vuur
altijd aan en nooit uit

het is waar
alles om draait