Van samenzweringstheorieën tot calamari fritti

“The only way to stave off mankind’s extinction is with a weapon more powerful than any atomic device…”

“That weapon is fear.”

De woorden zijn van Adrian Veidt, een, om het kort te zeggen, gewiekst wetenschapper en voormalig antiheld uit de HBO-serie Watchmen, een 30-jaar-later vervolg op de gelijknamige graphic novel van Alan Moore en Dave Gibbons. 

Veidt, vertolkt door Jeremy Irons, onthult dat hij het brein is achter de ramp waarbij een reusachtige octopus uit een andere dimensie in de jaren ’80 op New York viel, met miljoenen doden en nog zoveel meer getraumatiseerde mensen tot gevolg. Veidt wilde een betere, vreedzamere wereld creëren en gebruikte daarvoor angst als bindmiddel om mensen naar zijn verhoopt utopia te manoeuvreren.

Zijn redenering: als mensen in de waan leven dat we echt niet alleen zijn in het universum, dan gaan ze zich meteen een stuk nederiger en behoedzamer gedragen, uit angst voor een nieuwe ramp, voor het onverklaarbare. Wereldvrede betaald met angst. 

De rode draad door heel wat religies, maar dan door de ogen van een fictieve verknipte intellectueel. 

Het idee dat er elke moment nieuw onheil op hun hoofd kon vallen, heeft de wereldbevolking in Watchmen er trouwens alleen maar radelozer op gemaakt. Maar dat idee bleek vals, een hoax, fake news avant la lettre. Erger nog: het systeem — de president van Amerika — wist dit. Veidts plan ontpopt zich aldus van hoax naar een echte conspiracy theory

Zelf ben ik niet noodzakelijk een conspiracy theorist, maar ik hou er wel van. Heel erg zelfs. Het zijn de sterkste stukjes stel-je-voor die er bestaan. 

Stel je voor dat Hitler geen zelfmoord in een Berlijnse bunker heeft gepleegd, maar in een Argentijnse enclave zijn oude dag zou hebben uitgezongen. En dat men dat heeft laten gebeuren. Of dat de Bush administration een hand zou hebben in 9/11. Waarom was die kleine WTC Toren een eind verderop anders ook ingestort? Dat het coronavirus effectief gekweekt zou zijn in een lab in Wuhan, op vraag van ecoterroristen om de mens lam te leggen en Moeder Aarde even rust te gunnen. Dat het Vaticaan zo gekant was tegen de publicatie van The Da Vinci Code, omdat er effectief een vleugje waarheid aan Dan Browns relaas kleefde. Jezus toch, duizend jaar indoctrinatie naar de haaien. Of dat die vliegensvlugge dingen in de lucht waarvan het Pentagon onlangs de officiële beelden vrijgaf echt buitenaards zijn. Dan zijn we niet alleen. En dat er mensen zijn in Area 51 of in het Vaticaan die de waarheid kennen.

Ik ben niet noodzakelijk een conspiracy theorist, maar stel je voor. 

Samenzweringstheorieën zijn om drie redenen populair. 

Eén, die hebben we daarnet al gehad: ze komen tegemoet aan onze nood aan grotere verhalen. Ze proberen het banale te verheffen tot iets bijzonders, iets spectaculairs, iets ophelderend. Ze voeden het denken in mysteries en heffen het mysterie tegelijk op. 

Twee, ze geven onze angst een plaats. Van stel-je-voor naar een zie-je-wel-ik-wist-het. Door de aannemelijke antwoorden die samenzweringstheorieën bieden, reiken ze ons sluitstukken aan die ervoor zorgen dat onze angst een plaats, een richting, een gezicht krijgt. De angst verdwijnt daardoor niet, maar hij wordt bevattelijk. Een zichtbare vijand is altijd sympathieker dan een onzichtbare, hoe lelijk hij ook is. Weten waarop je je wapens moet richten, brengt een zekere rust, collectief en individueel.

Drie, de mens heeft nood aan sluitende verklaringen om de wereld rondom zich vorm te (blijven) geven. Het ligt in onze natuur om in de chaotische werkelijkheid een zekere logica te zien. Te vinden. We willen dat. Dansen op een vaste vloer gaat makkelijker dan huppelen op een serie loszittende tegels op anderhalve meter afstand van elkaar. 

En geef toe, het idee dat het universum totaal onverschillig is? Dat is toch ook maar… tja… angstinboezemend? Misschien. In elk geval is het ook maar niks. 

Maar misschien toch liever dat dan een octopus die elk moment op mijn hoofd kan vallen. Langs de andere kant, als er een ding is waar ik nog meer van houd dan van conspiracy theories, dan is het wel een portie verse calamari fritti.

5 jaar later: een terugblik op de Broken Frontier Anthology

Het was dit weekend exact 5 jaar geleden dat de Kickstartercampagne voor de Broken Frontier Anthology afliep. Het boek, een lijvige bundel van 27 kortverhalen, waaronder mijn allereerste gepubliceerde verhaal, bereikte net op de valreep zijn funding goal, zoals dat op Kickstarter heet. 

De campagne was een huzarenstukje en een bewijs dat elke Kickstarter zijn eigen beestje op zich is. Je kan onmogelijk voorspellen hoe een campagne zal verlopen, tenzij je een horde fans achter je hebt die alles wat je uitbrengt meteen kopen. Dan is succes gegarandeerd. Heb je die schare trouwe volgers niet, dan kan zo’n Kickstarter wel eens een zenuwslopende uitdaging zijn. Wat in ons geval zo was. ‘Ons’ dat is naast mezelf ook Tyler Chin-Tanner van A Wave Blue World, de uitgeverij die de bundel uitbracht. 

Broken Frontier is de comics nieuwssite die ik in 2002 oprichtte en begin 2017 aan Brits journalist Andy Oliver overliet om me toe te leggen op verhalen schrijven. Die kriebel was er al langer en na het neerpennen van mijn eerste scenario wist ik het zeker: zelf personages en werelden scheppen was hetgene waar ik me verder in wilde verdiepen. 

Het hele relaas achter de Broken Frontier Anthology kan je lezen in dit interview met Broken Frontier, waarin Tyler en ik terugblikken op ons avontuur. 

Speciaal voor de vijfde verjaardag brengt A Wave Blue World de bundel opnieuw in roulatie. Ook via mij kan je een (gesigneerd) exemplaar ontvangen. Neem even contact met me op en ik stuur je er eentje toe.

Hieronder alvast wat nooit eerder geziene ‘making of’ materiaal uit mijn kortverhaal, It’s About Time, waarin een wetenschapper na jaren falen erin slaagt een poort naar het verleden te openen om zijn overleden vrouw alsnog te redden. Maar dat draait iets anders uit dan verwacht.

Fantoompijn: Kortverhaal met Veerle Hildebrandt

Onlangs werd ik uitgenodigd door Bruno Willaert van Pulp de Luxe om deel te nemen aan 24H Comics Square, een initiatief van PdL en het Gentse tekenaarscollectief Tieten met haar.

Het idee achter 24HCS was om stripmakers 24u samen te zetten in een virtueel kot en hen elk een kortverhaal van 12 pagina’s te laten maken. De enige twee vereisten: uitwerking op een vierkant, Instagramvriendelijk formaat en een etmaal later pen, kwast of potlood neerleggen.

Als scenarist met erg beperkte tekenvaardigheden was solo deelnemen een zelfmoordmissie, dus sprak ik Veerle Hildebrandt aan om met mij in dit avontuur te stappen. Enige vereiste voor dit partnerschap: we doen géén nacht door. Dat was dan misschien geen zelfmoordmissie, maar wel een missie waar bij voltooiing reanimatie zou nodig zijn. Daar bedankten we beiden vriendelijk voor. Van die 24u die we hadden, beten we er dus gelijk een tiental af.

Wie Veerle niet kent: ze is een Mechelse tekenares die net als ik ietsje later dan onze generatiegenoten met stripmaken is begonnen. Op haar 35e won ze de eerste Yieha Young Talent Award van Blloan/Standaard Uitgeverij met haar kortverhaal Joyride, hetwelk ze later uitwerkte tot de graphic novel Black Paradise.

Voor 24HCS wilde ik graag iets grotesk en Kafkaiaans absurd doen. Veerle zag dat meteen zitten. In een van m’n schriftjes met ideeën stond een regeltje of twee dat zich daar perfect toe leende.

Dat werd Fantoompijn.



Achter elke wand schuilt hetzelfde patroon

Oktober 2009, Geary Street in San Francisco.

Ik was op reis doorheen Californië, een reis die vooral langs Highway 1 tussen SF en Los Angeles liep, met uitschieters naar kleppers als de Grand Canyon en Yosemite. Die grote kleppers blijven je altijd bij, maar op een reis zijn het vaak de kleine, spontane, onverwachte dingen die de kleur van je herinnering bepalen. Zo is het ook in het leven, denk ik. 

De grote gebeurtenissen, de ijkpunten, zijn de hoofdkleuren: rood, groen, blauw… en geel als er ook wat zon bij mag. De kleine, spontane, onverwachte momenten zijn alle schakeringen daartussen die voor diepgang zorgen. De grote zijn je springplank, de kleine laten je voelen dat je in de lucht hangt, maken van 2D iets in 3D. En in die vreemde flitsen van synchroniciteit lijkt het alsof je door een regenboog zelf wordt gebliksemd, om de kleurenbeeldspraak door te trekken. Wie dat te troetelberig klinkt: beeld je in dat je geprikt wordt in dat akelige puntje daar achter je elleboog, maar dat het zalig voelt. Zoiets. 

Geary Street is een straat vlakbij Union Square, de plaats waar de jaarlijkse grote kerstboom van San Francisco wordt neergepoot. Die stond er in oktober nog niet, dus was het vooral de culturele vibe opsnuiven, flanerend langs de vele theaters en kunstgalerijen die de buurt rijk is.

Ik herinner me de vele straten niet, ik weet alleen dat de zon scheen, net warm genoeg om in een t-shirt buiten te komen, maar toch met een trui om je middel voor het geval dat. Tegenwoordig zie je dat nauwelijks nog, bedenk ik nu, truien die om middels geknoopt zijn. Ik doe het ook niet meer. De tijden zijn nochtans een stuk onzekerder dan toen ik 26 was, de mensen meer bezig met voor het geval dat. Zo lijkt het toch, zeker vandaag. 

366 Geary Street trok om de een of andere reden mijn aandacht: de Martin Lawrence Gallery, een klein pand met veel wit. Dat weet ik ook nog. Wit is geen kleur, dat komt omdat de kleuren van de kunstwerken voor de diepgang moeten zorgen. Een achtergrond die geen kleur is, kan niet mee je indruk kleuren.

Ik ontdekte er het werk van de Franse kunstenaar/schilder Philippe Bertho, een man die tot mijn grote frustratie nog steeds niet over een eigen website blijkt te beschikken, waardoor ik niet kan linken naar een mooi overzicht van zijn schilderijen. Er bestaat een kans dat Bertho ergens wel een website heeft, verstopt achter een dubbele wand. 

Want dat is wat voor mij Bertho’s werken zo bijzonder maakt: het zijn combinaties van moderne, poppy, soms kitcherige elementen, die met een knipoog en een optische illusie de kijker erop attent maken dat de realiteit afhangt van hoe je ernaar kijkt. En hoe ‘out of the box’ je ook probeert te gaan, je er nooit in slaagt ‘out of the box’ te gaan. Achter de opening in elke wand schuilt opnieuw hetzelfde patroon. 

Het is humor, filosofie en pop door mekaar. 

Bertho’s werken voelen voor mij niet als zalige elleboogprikken, maar als toestemmingen om te voelen wat het is om met je vingers in het stopcontact te gaan, wetende dat de uitkomst positief is. Die ontdekking zal me daarom altijd bijblijven.

Een eindje verder, nummer 405, bevindt zich het Geary Theater. Een bordje gaf aan dat er een nieuw stuk van David Mamet speelde. Een steek-de-draak-met-het-Oval-Office komedie over het politieke klimaat in de VS. Twee kaartjes graag, zal ik hebben gezegd. Dat het stuk November heette en waarover het ging, weet ik enkel nog door het daarnet op te zoeken. 

Zo werkt dat met het geheugen. Je kiest niet welke schakeringen je onthoudt.

Moederen

mama’s in wording
bij wie de overgave net kiem heeft gevat

mama’s net geworden
op zoek naar de juiste pas

mama’s in een andere kleur
in wiens taal thuis precies hetzelfde klinkt

mama’s die vooruit zeggen
maar de kaart zelf niet altijd kunnen lezen

mama’s die geen mama mogen zijn
bij wie de overgave niet te blussen valt

mama’s die de bal al eens laten vallen
hem weer vangen nog voor hij de grond raakt

mama’s zonder huis
die enkel hun armen hebben en alleen daarmee een thuis bouwen

mama’s die we niet meer spreken
waarmee ons hart dat nog elke dag doet

mama’s die ons liever rechts hadden zien lopen
maar gelukkig zijn dat we onze weg links hebben gevonden

mama’s die nog meisje zijn
en hier niet van willen meespreken

mama’s die rust hebben gevonden
hun thuis nu aan ons hebben toevertrouwd

mama’s die

mama’s die het gewoon doen
moederen
zonder er woorden aan vuil te maken
weten dat deze hier niet omvatten
wat een kunst het is mama te zijn

Het is wachten op de regen

het is eind april
een periode waarin wat tijdens winter’s kil
werd beloofd stilaan vorm hoort te krijgen
de eerste bocht van een nieuwe wending
ingezet en verhalen die ieder jaar verteld
toch opnieuw worden geschreven
maar niet nu

de wolken zitten op slot
en het is wachten op de regen
van armen die vertellen hoe het met ons gaat
van zolen die straten weer doen kronkelen
van blikken op terrassen naar rokjes
die de zomer in wandelen

jij ruikt hem ook dat weet ik
de zomer die zo op de regen wacht

Verjaardagsgedicht 37 met voorafbeschouwing

Dag. Wat u nu leest bestaat uit 2244 tekens. Bovenstaande niet inbegrepen. Dat verklap ik al. Ik heb vals gespeeld door het begin te schrijven toen het einde er al op zat. Ook dat is een leugen – nochtans spreek ik op papier altijd de waarheid.

Ik heb het tegen u, die ik altijd uitdagend vind, omdat je benen eeuwig wijd rechtop staan, gespannen tussen je onbuigzame ronde buik. Omdat er daartussen altijd plaats is voor mij. Zo ben ik wel. Als ik maar in u kan glijden. 

Ik hou ervan hoe u altijd dezelfde bent en altijd verschillend tegelijk. Dat u alleen maar bestaat als ik mij laat horen. Hoe ik alleen maar wat aan u kan prutsen door links of rechts een krulletje toe te voegen.

Juist. Dit ging een verjaardagsgedicht zijn. Iets om waar te maken.

Op dit eigenste moment ben ik zevenendertig. Zogezegd. Écht eigenste, want ik ben op dít moment ter wereld gekomen. Ik kan fout zijn, maar heb toch op dit moment gewacht om te beginnen schrijven, hoewel ik het vreemd vind dat dit deel van mij wordt uitgedrukt in iets dat geen deel van mij is. Een leeftijd is een stempel die niet drukt.
U kan die zevenendertig niet uit mij snijden, niet aantikken, niet mee in gesprek gaan, aan likken. Het liefst zou ik willen dat u er aan kon kietelen. De oncontroleerbare lach heft dingen op zoals geen lik of tik dat kan. 

Wacht even. Ik wil u geen valse hoop geven, want ik veins tegenwoordig vaak een lach wanneer ik gekieteld word. Dat komt omdat mijn zolen wat eeltig geworden zijn. Wat denkt u? Zou eelt op de zolen evenredig zijn aan eelt op de ziel? Voelen we daarom hoe ouder we worden enkel nog gekietel diep tussen onze tenen? Omdat die het meest onaangeroerd blijven, zich het best weten te verstoppen?

Het zijn kleine uu’tjes. Ik denk dat het daarom is. Beentjes die uitmonden in onbuigzaamheid waar we nog onszelf kunnen zijn. Onszelf. 

Waar ik het met u over wil hebben nu we hier aangekomen zijn: een mens krijgt zijn leeftijd op het eigenste moment dat die geleefde tijd voorbij is. Een mens hoort te zijn
wat hij niet meer is, waardoor we nooit
met onszelf samenvallen
we zijn veroordeeld om vluchtig te zijn
net als altijd

ik ben blij dat ik dat met u mag doen
vluchtig zijn 
ergens in kunnen glijden
is ook een beetje samenvallen

Ergens vreemd toch

dat we er een punt van maken
tegen elke wildvreemde welgemeend dag te zeggen
dat we nog nooit zo veel zo welgemeend dag hebben gezegd
gewoon dag jij

dat we de schone lucht moeten opslaan
in een grote glazen koepel om hem straks
niet in rook te zien opgaan

dat het door een beestje komt 
dat onze longen lam legt
dat we voor het eerst sinds lang 
gewoon kunnen ademen

dat we nu pas echt aandacht hebben
om te ademen 
en dat dat alleen moet

dat we nu pas echt aandacht hebben
voor zij die over ons waken
ons leven mogelijk maken
dat onze helden niet langer voetballers zijn
of mensen met een megafoon

dat we hen nu pas helden noemen
pas nu allemaal
en dat zij moeten hopen
dat ze het morgen nog zijn

dat wanneer de maskers af mogen
en we ons niet langer moeten verschuilen
de vraag is hoe lang en hoe echt
we elkaars gelaat zullen blijven zien