Tussen droom en droogkast

Donderdag 26 maart verzamelden makers, uitgevers, recensenten, verdelers en inkopers uit Vlaanderen en Nederland in het Belgisch Stripmuseum in Brussel voor het symposium De Toekomst van de Strip, georganiseerd door het Fonds Marc Sleen.

(Leuke video van Bob Fish hier voor wie er niet bij was. Foto’s hieronder door Bart Van der Moeren.)

Het programma oogde fraai met ronkende namen als Aimée de Jongh, Charel Cambré, Hec Leemans, Stedho en Steven Dupré. Remy Amkreutz, hoofdredacteur van De Morgen, deed uit de doeken waarom hij zo van strips houdt en waarom hij er trots op is dat zijn krant het medium meer dan andere dagbladen een podium biedt. Lieze Drees (Daedalus), Sam De Graeve (Borgerhoff & Lamberigts) en Koen Clement (Standaard Uitgeverij) debatteerden over de moeilijke realiteit van het uitgeven. Voeg daar ergens nog een vermakelijke, ADHD-gedreven presentatie aan toe van Joris Mertens – als vijftiger een ‘jong’ en verbluffend talent – over zijn werkproces, en je weet: dit had alles in huis om een hele mooie dag te worden.

Dat werd het ook, maar tegelijkertijd ook een beetje niet. Ik verklaar me nader.

Het deed ontzettend deugd om met zoveel gelijkgestemden onder één dak te zitten – platformen van dit niveau zijn er in ons taalgebied nauwelijks – en de organisatie was nagenoeg vlekkeloos. Daarover zal iedereen het eens zijn. Waar de meeste aanwezigen het echter ook over eens zullen zijn, is dat we eerder een ‘stand van zaken van de strip vandaag’ kregen, dan een visie op wat de toekomst van het beeldverhaal zal, moet of kan zijn. Ondanks de uitstekende catering bleven we op dat vlak wat op onze honger zitten.

Deels is dat logisch. Elke visionair en strateeg die beweert dat hij met zekerheid tien – laat staan twintig – jaar in de toekomst kan kijken, is eigenlijk een beetje een leugenaar. Je vertrekt altijd van het hier en nu en probeert van daaruit scenario’s te bedenken over hoe het nu verder kan of moet.

Dat de strip zal blijven bestaan, daar was iedereen het over eens. Mensen zijn verhalenvertellers, alleen is het niet duidelijk of de primaire drager nog lang ‘papier’ zal heten. Op dit moment zet ik mijn geld op ‘ja’, na het lezen van cijfers over digitaalmoeheid en een hang naar meer tactiele ontspanningsvormen. Dat er een publiek is voor de strip, zowel zij die hem willen lezen als zij die hem willen maken, staat buiten kijf. Zelfs in een tijd waarin de concurrentie om onze krimpende aandachtspanne moordend is.

Overal in Europa gebeuren spannende dingen. Aimée de Jongh toonde voorbeelden van nieuwe makers uit Denemarken, Portugal en Italië; stemmen die niet langer geworteld zijn in de tradities van de twintigste eeuw en juist daardoor een frisse wind laten waaien. Dat kan ik zelf aanvullen met goed nieuws uit de VS, waar vernieuwing in de mainstream (zoals de Absolute-lijn van DC) en boeiende creator-owned titels nieuwe lezers trekken. Ook bij ons blijft er vers bloed stromen: bij de opleidingen Beeldverhaal aan zowel LUCA in Brussel als St. Joost in Breda zit het aantal studenten in de lift. Bovendien wist Remy Amkreutz te vertellen dat strips de hoogste click-through rate behalen van alle secties in de digitale krant.

Maar er staan enkele olifanten in de kamer.

Het eerste olifantje is eerder een kanttekening en dus een baby: of het op de site van De Morgen vooral de vluchtige cartoons zijn die scoren of de voorpublicaties van volwaardige albums, bleef onduidelijk. De andere twee olifanten zijn volwassen mastodonten: geld en lezers.

Een brede, structurele investering in makers en reeksen om (rustig) te groeien zonder dat ze daarbij alleen boterhammen met choco kunnen eten, die ontbreekt. Goede strips maken is verdomme hard en lang werk, maar plaatprijzen worden zelden tot nooit meer betaald. Heel wat mensen die geen commerciële reeksen maken of geen plaatprijs krijgen doen het métier na de uren, of kunnen zich pas na een (internationale) doorbraak volledig op de 9e kunst focussen. 

Aimée de Jongh was openhartig over de voorschotten die ze ontving voor haar successen Bloesems in de herfst, Dagen van zand en Lord of the Flies. “Ik zeg dit om te tonen dat het kán,” zei ze. En het kan ook, maar in een krimpende markt is zij eerder de uitzondering dan de regel. Ze krijgt deze welverdiende bedragen bovendien vooral omdat ze een internationale speler is kunnen worden, met de Franse markt als belangrijkste motor.

Van de 24 studenten die deze zomer aan LUCA afstuderen, zullen er maar weinig het geluk hebben voltijds van het stripmaken te kunnen leven. Dat is de realiteit, en eerlijk gezegd was dat vroeger niet anders. Voor elke Vandersteen, Uderzo of Franquin was er een veelvoud aan makers die geen groot publiek bereikte. Net zoals voor elke Clouseau, Natalia en Hooverphonic in de muziek. En ga zo maar door.

Omdat ik Aimées openheid kon waarderen, doe ik ook een stukje van mijn boekje open: mijn eerste – en best verkochte – graphic novel De Walvis heeft me een nieuwe droogkast en een paar etentjes opgeleverd. Echt. Voor de graphic novel die ik begin 2027 bij het Amerikaanse Top Shelf uitbreng, is de prognose anders door de schaalvergroting, maar ook daar is het afwachten of ik er bij wijze van spreken een nieuwe keuken aan zal overhouden.

Wie ‘plaatprijzen’ en ‘reeksen’ zegt, kijkt in onze contreien al snel (uitsluitend) naar Standaard Uitgeverij. In die zin was de uitspraak dat SU zeker nog in de toekomst investeert – “we werken aan een reeks gebaseerd op Nonkels en verschillende spin-offs van bestaande reeksen” – vrij teleurstellend. Dat is een beetje alsof de VRT zegt dat het wel goed komt met fictie van eigen bodem omdat ze FC De Kampioenen blijven heruitzenden en daarnaast ook de coming of age van Balthazar Boma en het relaas van hoe het vandaag nog met Oscar Crucke in Afrika gesteld is gaan verhalen.

Natuurlijk speelt de commerciële realiteit en investeert een uitgever vooral in projecten waarvan hij weet of hoopt zijn broek niet te scheuren. Daar moeten we niet flauw over doen. Maar om meer (jonge) makers in het vak te krijgen en te houden, hebben we meer lezers nodig. Alleen dan kunnen uitgevers meer makers fatsoenlijk betalen.

Moderator Riadh Bahri sloeg de spijker op de kop: “Soms denk ik: goed gedaan, ik heb weer een miljoen mensen bereikt met het journaal. Maar als ik realistisch ben, weet ik dat daarvan slechts 100.000 kijkers in de groep 18-54 vallen. De rest is ouder of veel ouder. Met andere woorden: werken we niet allebei voor een uitstervend publiek?”

Hoe we de markt weer laten groeien en jongere generaties verleiden, is een complexe vraag. Kinderen aansporen is één ding, maar de strip aantrekkelijk houden als populair én literair vermaak voor de doelgroep 18-54 is een ander verhaal. Het Fonds Marc Sleen zet nu bijvoorbeeld in op leeslijsten voor het onderwijs. In tijden van ontlezing is dat een goede zet; de lange termijn zal uitwijzen of deze jongeren de strip ook als volwassene in hun hart zullen sluiten. Om hen te blijven boeien is een diverse markt nodig – en die is er internationaal gelukkig volop.

Als sector is hier in samenwerking met het bredere speelveld meer hersengekronkel over nodig. De brug naar volgende edities is gelegd. Ik sluit daarom graag af met de woorden van Lieze Drees (Daedalus): “Vandaag zitten hier voor het eerst zoveel mensen uit het vak samen die het verschil willen maken. Laten we daarop verderbouwen.”

Doen.

(Voor de duidelijkheid: ik ben nog altijd heel blij met die droogkast. Zij en ik draaien met liefde op volle toeren… tot de dood erop volgt.)