Het Rode Oor 2026: Smeltwater

Dit kortverhaal schreef ik naar aanleiding van Het Rode Oor, de jaarlijkse erotische kortverhalenwedstrijd georganiseerd door deBuren en enkele andere organisaties. Een kortverhaal mag altijd maximum 800 woorden tellen. De opdracht dit jaar: speel met het voorspelbare, zet een cliché naar je hand.

Eerdere inzendingen: Een verdwijnen (2022), Vrijdag (2023), Rechterflank (2024)

***

Het begint zoals altijd. Buiten. Het grote zwembad omzoomd met broze terracotta. Ze laat haar badjas zakken zoals een huisvrouw dat doet. Met een hapering bij de schouders, een kleine worsteling met het gevlochten touwtje om haar navel. Onvoorbereid. De jas belandt op een witte ligstoel uit de jaren negentig, weggeplukt uit een ondertussen aftands driesterrenhotel aan een Spaanse costa.

Haar haren houden het midden tussen blond en bruin, het is de aanwezigheid van het licht die bepaalt wie overspel pleegt. Het zijn niet haar haren, maar haar benen die met het licht gaan lopen. Ze stapt naar de brede zijde van het zwembad. Alleen zij en het water. Het klotst zachtjes tegen de rand, holt het overhangende terracotta uit van onderin. Haar billen raken de poreuze steen, haar voetzolen idem. Ze houdt haar benen uit het water, ze zullen enkel spetters voelen.

Ze kijkt over haar rechterschouder met de blik van iemand die weet wat er staat te gebeuren. Haar borsten bewegen nauwelijks mee. Hun opstandigheid past niet geheel bij haar leeftijd, al valt er nergens een spoor van een incisie te bekennen. De natuur heeft haar gunstig bedeeld. En ze weet het. Voor haar is het leven geen ratrace maar een speelveld, een renbaan, een circuit. En zij de pitspoes.

Er is een plons hoorbaar. Haar glimmende benen wiebelen verwachtingsvol als een stel jonge snaken die een ijscokar hebben gehoord terwijl ze gulziger dan het terracotta het zonlicht opslorpen.

Voor haar rijst een torso met kortzwarte kruin uit het water en trekt haar bekken dichterbij. Het hoofd vloeit genadeloos tussen haar gewillig openvallende knieën. In geen tijd geven haar lippen boven aan dat de onderste zich in akkoord overgeven. 

Dadelijk zal de torso zich losmaken van haar dijen en zijn rechterarm zich van haar kont. Ik schuifel met mijn bloot zitvlak op het nepleer van mijn stoel. Het voelt als aangeleerde agitatie. Twee vingers glijden bij haar naar binnen, mijn hand zoekt mijn geslacht. Zijn duim bestiert het knobbeltje van haar kut zoals een versnellingspook. In achteruit, neutraal en weer terug. 

Zij bromt. Ik ruk.

Ik wil hard zijn voor hij op minuut zes seconde twee zijn ringvinger en pink erbij stopt. Ik ruk. Ik ruk en tors en ruk. 

Ze zijn het punt voorbij.

Hij beweegt fors in en uit haar, ik trek mijn voorhuid diep naar achteren en opnieuw en opnieuw om zelf fors te worden tot mijn frenulum het dreigt te begeven. Ze joelt, terwijl een onderarm op en neer schokt met een verbetenheid die ik zo hard wil voelen, de handpalm vormt een kommetje dat zuigend en klotsend om haar lippen zingt. 

Mijn frenulum jankt.

In een poging nog enig leven in mijn zwellichaam te krijgen, beeld ik me in hoe haar irissen wegdraaien in haar oogkassen terwijl het scherm enkel hand en kut toont. Een kale kut die broeit en afgemeten opspant.

Ze stoot hem tegen de schouder, hij trekt de kom terug vlak voor ze ontlaadt. Haar bekken trilt als een geschrokken paard. We schreeuwen tegelijk, maar om tegenovergestelde redenen. Zij met open mond, ik slik elk geluid in. Het terracotta kleurt donker. De steen zuigt op wat ik wil. Ik kleef mijn tong tegen het scherm, net op tijd voor het zwart wordt.

Geen lichtzoete pH van squirt, maar de chemische smaak van beeldreiniger.

Ik hijg het slap in mijn boxer. Bij het rechtop komen grijp ik de rand van het bureau vast en voel de poreuze korsten van aangekoekt wit van al die keren dat het zwembad het wel deed. Het blijft zitten, zoals kauwgom onder een schoolbank. De poetsploeg veegt er niet. Het terracotta is al weken met alles aan de haal, als een pedant kind dat zijn ijsje niet wil laten proeven. Ik krab er wat van los, verpulver het verder met de toppen van mijn vingers en kijk hoe het neerdwarrelt op het tapijt en verdwijnt tussen al het andere stof dat de dag heeft opgehoest. 

Ik gesp alles in, open de lamellen naar de straatkant. De Polestar van de District Manager staat er al. Dadelijk hebben we meeting over de kwartaalcijfers. Ik ontsluit geruisloos mijn kantoordeur, knik naar mijn secretaresse en de woordvoerder. Ze zitten nog maar halverwege hun broodje. Business as usual.

Om de hoek loop ik tegen de District Manager aan. Ik schud hem mijn ongewassen hand.
‘Ik zet me al,’ zegt hij. Hij oogt naarstig. Alles altijd in hoog toerental. Wie afremt, ligt eruit.
‘Doe maar,’ zeg ik en recht met mijn andere hand de dubbele windsor onder mijn kraag. ‘Ik neem snel wat te drinken.’ Ik signaleer mijn knabbelende secretaresse dat ze gerust kan blijven zitten. 

‘Voor mij een bruis,’ zegt hij terwijl hij mijn kantoor binnen glipt. Het is zo’n type dat denkt dat het alles kan nemen.